Overleven in de stad, de moderne Ciske heet Yusuf

“Bestaan er dan geen opvoedkundigen die de armoede van bijna een miljoen gezinnen als een belangrijke opvoedingsdeterminant beschouwen?” (1)

De stad is voor kinderen van oudsher een bijzondere wereld om op te groeien, met grote verschillen in rijkdom en kansen voor latere opleidingen. In Amsterdam is daar Oud-Zuid, waar kinderen met ongeknipte lange blonde haren (zowel de meisjes als de jongetjes) en oude kaplaarsen (erg hip!) ofwel in bestudeerd-vale maar zeer dure kleding de vrijwel witte scholen bezoeken. Ze worden daar met de designerbakfiets naartoe gebracht. Later gaan ze naar het Stedelijk of naar het Montessori, nog weer later studeren ze, al bijna klaar voor de goede banen op de hippe kantoren. Nauwelijks een kilometer verderop dragen de meisjes op feestdagen de mooiste jurken, met kwikjes en strikjes. Diezelfde meisjes dragen op hun 10e een hoofddoek, bezoeken en masse het vmbo (dat lukt de meisjes nog wel, de jongens vaker niet) waarna de slecht betaalde banen volgen. Op een steenworp afstand van elkaar leven zo twee uitersten, de kansrijken en de kansarmen. En daarmee blijkt er in een eeuw tijd eigenlijk maar weinig veranderd te zijn.

Want over het leven in de stad, over overleven in de stad, is een prachtig document geschreven. Het verhaal van Ciske de Rat, aanvankelijk (1942) als boek door Piet Bakker, later als film (1984) met de kleine, schattig-ontroerende Danny de Munck als kleine Ciske en als musical twee decennia later met dezelfde Danny maar dan als volwassen Cis en een nieuwe kleine Ciske, is bij velen bekend. “Had ik moar iemand om van te hauwe, twee sachte armen om me heen, die mijn altijd bescherme souwe, ik voel me so verdomd alleen” – de essentie is duidelijk: een eenzaam jongetje in de grote stad. Het verhaal speelt zich in de oorspronkelijke romans van Bakker af in een Amsterdamse volksbuurt, zo tussen 1920 en 1930.

De eerste verfilming (1955), met Peter Brusse als schoolmeester, blijft een stuk dichter bij het  oorspronkelijke verhaal. Hier wordt duidelijk waaraan Ciske zijn bijnaam “de rat” te danken heeft: aan zijn muisachtig voorkomen, zijn schichtige blik en zijn geringe vermogen om sympathie te wekken. Als jongetje in de grote stad is hij ongewenst. Zijn vader zit op zee, waarmee hij zowel zijn slechte huwelijk als zijn verantwoordelijkheid als vader ontvlucht. Zijn moeder is van bedenkelijk allooi en ziet haar kinderen, met name Ciske, als een vloek. De jongen ontvlucht de bedompte woning zo vaak hij kan en zoekt afleiding op straat, waar kleine criminaliteit, vermengd met ergernis van volwassenen, al gauw uitgroeit tot een beginnend strafblad. Hij heeft te maken met de Pro Juventute, een particuliere organisatie die zich inzetten tegen jeugdcriminaliteit en voor kinderbescherming (deze is waarschijnlijk nog het best te vergelijken met Bureau Halt). Alle verantwoordelijke volwassenen (de schoolmeester, de kinderrechter, de rechercheur van politie) zien dat het niet zozeer Ciske zelf, maar zijn omgeving – met name zijn moeder die hem `s avonds in het café laat werken of bijna dagelijks in het kolenhok stopt – is die schadelijk is. Helaas net niet schadelijk genoeg om hem uit huis te plaatsen, ook al doet schoolmeester Bruis een vergeefse poging om de vader zijn verantwoordelijkheid te laten nemen. Tot het te laat is, door een fataal ongeluk vermoordt Cis zijn moeder.

De trilogie van Piet Bakker verhaalt op romantische en sublieme wijze de sfeer van de jaren twintig, dertig in Amsterdam. De armoede en ruwheid op straat en de pogingen van de zwaar onderbetaalde onderwijzers om de kinderen iets van beschaving bij te brengen. Meester Bruis heeft 48 leerlingen in zijn klas. In zijn vrije tijd studeert hij voor zijn middelbare acte Frans, welke leidt tot een beter salaris: eindelijk kan hij trouwen met zijn Suus. In zijn klas de kinderen van de arme klasse: met kapotte schoenen, `vlooienpikken’, groezelige nekjes. Van huis uit krijgen ze niet veel mee. De ouders zijn vaak laag- of niet geschoold. Zeer vaak speelt alcohol een ongunstige rol.

Ook deze schoolmeester krijgt met agressie van ouders te maken: “De meeste schoolmeesters hebben zoiets wel eens bij de hand gehad. Conflicten met verongelijkte ouders worden wel eens, in letterlijke zin, op straat uitgevochten. Het is het alleronaangenaamste, dat je kan gebeuren. Op straat zijn dergelijke rechtzoekenden altijd in het voordeel. Zij kunnen zich dingen permitteren, waar je als onderwijzer niet aan kunt denken, enfin, `t is een afschuwelijke situatie.” (2) Het leven van de schoolmeesters, die met hun karig salaris het volk moeten verheffen: “Tot die extase moet hij zich dan opwerken op een Maandagmorgen als het regent en de school zo klam is en zo zurig stinkt van al die natte jasjes en dasjes, die in de gang hangen te verdampen. Het kind met natte voeten en misschien een lege maag moet dan denken: `O, o, wat vereenvoudigt meneer toch enig breuken.’” (3)

De klasseverschillen worden pas echt duidelijk als meester Bruis een betere aanstelling aanvaardt op een `kale neten schooltje’(4), een privéschooltje waar ook Frans gegeven wordt, aan kinderen van aanmerkelijk betere sociale komaf. Een klas met maximaal twintig leerlingen, kleine klas, gezonde lokalen en licht en lucht. Hij vraagt zich af: “Zou het wezenlijk verschil maken, of een Jordaanse vroedvrouw je in de Tuindwarsstraat het eerste levenslicht toont, dan wel of de première plaats vindt in een villa bij het Vondelpark?” (…) “Ik krijg hier geen briefjes `als dat Dirk vandaag niet op school kan komen als dat zijn schoenen naar de schoenmaker zijn’.(5)

En verderop in het boek observeert hij de verschillen in het milieu waarin een drukke jongen opgroeit: “Zijn deze jongens nu beter? Ach, wel nee, ze zijn alleen beter behandeld. Van thuis hebben ze iets van burgerdeugd en beschaving mee gekregen. Als zo’n Freddie in een bedstee in de Tuindwarsstraat geboren was, zou zijn vindingrijke, woelige natuur minder geapprecieerd zijn, want in een kamer-keukenwoning komt een jongen met fantasie en ondernemingsgeest wegens gebrek aan levensruimte spoedig in botsing met zijn omgeving; zijn moeder trapt hem de deur uit en hij gaat fikkies maken in brievenbussen, appelen gappen op de markt; hij komt in (…) kattekroegjes en andere couveuses voor de beginnende misdaad. Dan zou zo’n Freddie een lieve kans maken om te verdrinken, eer hij water gezien had. (…) Nu maken Freddie’s ouders van zijn onstuimigheid een deugd en van hun zoontje een flink, levendig jog. Hij speelt met zijn vriendjes in een tuin, waar geen dronken olifant iets kan beschadigen (…) Loopt het eens de spuigaten uit, dan krijgt hij een gezond pak op zijn ziel, maar hij ziet toch al gauw weer begrijpende, glimlachende gezichten om zich heen van mensen, die van hem houden en hem wel een roerig, maar toch een aardig ventje vinden.(6)

De karakterschetsen van de jaren twintig en dertig lijken een typering van een voorbije tijd, maar juist in grote steden als Amsterdam kun je je afvragen of er werkelijk iets veranderd is, of dat de oude tijden weergekeerd zijn. Nu dragen de jongens uit de lagere sociale klasse immers wéér petten, al houden ze deze nu vaak op in de klas en hebben ze een rebelse betekenis. En ook nu zijn er veel kinderen in de armere wijken die hun namiddagen en avonden op straat doorbrengen, omdat er thuis niet veel ruimte is. Nog afgezien van de fysieke ruimte gaat dit ook over de persoonlijke ruimte, het inlevingsvermogen van de ouders. Of je drukke gedrag gezien wordt als een persoonlijke aanval, als `treiteren’,  of dat er begripvol op gereageerd wordt. Voor veel jongens (vooral voor jongens) is er in beide opzichten weinig ruimte in de armere buurten. Zij gaan de straat op, waar zij net als in de tijd van Ciske, de eerste schreden op het slechte pad zetten. Hun rijkere leeftijdgenoten leven vlakbij, maar in een andere wereld. Weliswaar hebben ook zij in de stad niet veel ruimte, maar ze hebben een eigen kamer met tv en spelcomputer en worden van clubjes naar sporten gebracht. Hun ruimte is beperkt maar veilig, tegenover de grotere ruimte van de onveilige straten van hun makkers aan de andere kant van de A10.

Juist in de steden ook, is het contrast zo groot omdat de middengroep grotendeels ontbreekt. De bevolking van Centrum en Zuid leven gunstiger dan gemiddeld, de bevolking van Zuid-Oost, Noord en West zitten onder het gemiddelde. En het zijn juist de autochtone gezinnen met kinderen die de stad verlaten: naar Almere, de Haarlemmermeer, Amstelveen.(7)  Wat overblijft maakt het contrast tussen (kans)rijk en (kans)arm des te duidelijker.

Het grootste verschil tussen kansrijk en kansarm is het opgroeien in armoede. Met name in de grote steden zijn er meer, met name allochtone, huishoudens die onder de armoedegrens leven – al is die armoede door de betere woningbouw, medische zorg, hygiëne  en het vangnet van uitkeringen en voorzieningen wellicht minder iets schrijnend dan een eeuw geleden. In Amsterdam, Rotterdam en Den Haag lag het aandeel arme gezinnen in 2008 boven de 10% (tegen 7,7% landelijk gemiddeld).(8)  Met name bij allochtonen komt armoede ook meerdere generaties lang voor, dat is vaker het geval dan bij autochtonen. Dat, terwijl kinderen van allochtonen met een hoog inkomen net zo vaak als kinderen van autochtonen met een hoog inkomen erin slagen om zelf ook een hoog inkomen te hebben. Kinderen van arme allochtonen zijn dus kansarmer dan kinderen van arme autochtonen, armoede wordt bij hen vaker van generatie op generatie doorgegeven.(9)

De vader van Ciske vatte zijn taak als ouder niet al te ernstig op en was meestal afwezig. Vlak voor de moord op Ciske’s moeder was er sprake van echtscheiding. Ciske’s moeder zorgde mede voor het gezinsinkomen door `s avonds in een café te werken. Ook nu groeien veel kinderen uit eenoudergezinnen in armoede op. Tegenwoordig heeft een groot deel van de eenoudergezinnen (meestal gezinnen met alleenstaande moeders) een inkomen uit de bijstand. Deze gezinnen zijn zes keer zo vaak arm en vijf keer zo vaak langdurig arm als gezinnen met samenwonende of getrouwde ouders. Ook slagen de alleenstaande moeders er minder vaak in dan andere moeders om uit de situatie van armoede te ontkomen. Het inkomensverschil is in de afgelopen jaren zelfs groter geworden: de koopkracht van alleenstaande moeders is gedaald van 68% naar 62% ten opzichte van de samenwonende moeders, met name omdat de laatste groep meer is gaan werken en verdienen.(10)

Schrijver Piet Bakker gaf met zijn beschouwingen vanuit de hoofdfiguur meester Bruis, blijk van inzicht in de rol van de leefomgeving op de opvoeding en de kansen van kinderen in de grote stad. Ook nu is er aandacht voor de invloed van armoede op de opvoeding. Zo blijkt uit onderzoek dat  arme kinderen veel minder vaak lid zijn van een vereniging, ze gaan minder vaak op vakantie en maken minder uitstapjes dan hun meer fortuinlijke leeftijdgenoten. Er is vaak geen geld voor nieuwe kleren, verjaardagscadeautjes, internet, elke dag een warme maaltijd, fruit of (extra) schoolkosten. Hoe langer de armoede duurt, hoe angstiger, ongelukkiger en afhankelijker kinderen zich voelen. Met name kinderen uit eenoudergezinnen en kinderen van niet-westerse afkomst hebben veel kans op nadelige gevolgen van armoede op hun welbevinden. Kinderen gaan daar verschillend mee om. Sommige kinderen hebben een bijbaantje of sparen, maar anderen proberen om de problemen voor hun vriendjes te verbergen en praten er met hun ouders ook niet over.

Armoede hoeft niet altijd tot problemen bij opgroeien en opvoeden te leiden, vooral niet als het gaat om kortdurende armoede of zuiver financiële problemen van tijdelijke aard. Maar vaak is er sprake van een opeenstapeling van problemen en langdurige armoede met grote gevolgen: een lage opleiding van de ouders, psychische problemen, stress en huiselijk geweld.   Deze factoren hebben invloed op de ontwikkeling van kinderen, zoals de ontwikkeling van hun intelligentie, het krijgen van psychische problemen, gedragsproblemen, het ontwikkelen van criminaliteit of het meemaken van kindermishandeling. In arme groepen komen deze problemen vaak gestapeld voor, met aanzienlijke gevolgen voor de kinderen. De kans op psychosociale problemen als gevolg van armoede is het grootst bij kinderen onder de 12 jaar, maar armoede vergroot ook het risico op het niet halen van een startkwalificatie op minimaal MBO-2 niveau, zelfs wanneer de betreffende jongere goed mee kan komen op school. Ook het opleidingsniveau van de ouders speelt een grote rol bij voortijdig schoolverlaten: met elk extra jaar opleiding van de ouders neemt die kans met 7 procent af.  Tenslotte heeft armoede een nadelige invloed op de gezondheid van zowel de ouders als de kinderen in de gezinnen: roken, stress en overgewicht komen vaker voor. Het verschil in  levensverwachting tussen laag- en hoogopgeleide mannen is 6,9 jaar in het voordeel van de hoogopgeleiden.(11)

Er wordt in de laatste jaren in toenemende mate onderzoek gedaan naar de invloed van armoede op opvoeden en opgroeien. Toch blijft mijn indruk dat in het nationale armoedebeleid de aandacht beperkt blijft tot pogingen om de arbeidsparticipatie te vergroten door de sociale zekerheidsvoorzieningen te beperken.(12) Terwijl Nederland enerzijds gekenmerkt wordt door een wirwar van initiatieven en projecten die kinderen willen ondersteunen, ontbreekt anderzijds een algemene focus of doelstelling, gericht op het beperken van de schade door armoede op kinderen en de toekomst van de kinderen. Dat heeft alles te maken met de ontwikkelingen in het jeugdbeleid van de afgelopen decennia, waarin speerpunten en specifieke problemen steeds belangrijker zijn geworden en algemene of fundamentele visies op kinderen, opvoeden en opgroeien uit beeld verdwenen. Ik zou ervoor willen pleiten om de fundamentele vragen en doelstellingen terug te brengen in het nationale beleid. Eén van de vragen is dan: hoe kunnen we de verworven kennis over schade en problemen die armoede bij kinderen veroorzaken, bestrijden en voorkomen? Aan de ene kant blijft aandacht nodig voor de toekomst van allochtone kinderen, die op zoveel verschillende manieren in de problemen zijn en komen. Aan de andere kant is het belangrijk je af te vragen in hoeverre hun positie en kansen nu werkelijk verschillen van die van de onderklasse waar de kinderen uit klas van meester Bruis destijds deel van uitmaakten. Daarnaast is essentieel om de (ook autochtone) kinderen uit eenoudergezinnen te ondersteunen.

Ten slotte speelt de kwaliteit van de leefomgeving een rol. Zoals Bakker via schoolmeester Bruis beschrijft: “Na schooltijd ben ik eens door de straat van de Rat gelopen. Misschien wel uit aanstellerigere behoefte om mij eens erg ongelukkig te voelen. Hoge huurkazernes, een grauwe hemelspleet, plassen bij de goten, opgeschoten jongens blerrend in een portiek en dit alles in de grijze schemer van de motregen. Als kinderen opgroeien in een omgeving zonder één fleurig ding – mijn God, al is het maar een enkele boom, een meisje met een schoon schortje, een blij glimlachend mens! – ja welke eisen mogen we dan aan dat kind stellen?”(13)

Dit voorjaar stond in de Volkskrant een artikel waarin het belang van groen op het welbevinden van mensen benadrukt werd: “Stadsmens, gestresste mens.”(14) De  grotestad-bewoner, aldus het artikel, heeft anderhalf keer vaker hartfalen of astma, leeft een jaar korter en heeft vaker last van depressie of angststoornissen dan landelijk gemiddeld. Opgroeien in de stad leidt bij kinderen tot het risico te ontsporen. Hoewel we gezien het bovenstaande de mogelijke connectie met armoede niet uit moeten sluiten, stelt het artikel dat experimenten waarbij gestresste mensen in contact werden gebracht met natuur sterke verbeteringen lieten zien: de bloeddruk daalde en stresshormonen verdwenen. Maar ook hier geldt weer: juist voor kinderen in grote steden die in armoede opgroeien, zijn uitstapjes en vakantie en dus de kans op weldadig groen, zeldzaam. En als de minister in de aandachtwijken een park laat aanleggen waar vervolgens groepen jongelui staan te dealen, wordt het park voor de jongere kinderen niet de veilige groene oase waar zo’n genezende werking vanuit gaat.

Ook nu nog zijn er vele Ciskes, die opgroeien in grauwe straten, mishandeld worden, het huis ontvluchten,  geen geld hebben voor uitjes, vaak geen fatsoenlijke maaltijd in hun maag. Deze Ciskes groeien op in een eenoudergezin en/of  in een laag opgeleid gezin – dan heten ze vaak Delaney, Wesley of Lorenzo.(15) Maar vaak – en zeker in de grote steden als Amsterdam – heten ze Yusuf of Mohamed. En dan blijkt dat er sinds de tijd van Ciske eigenlijk weinig veranderd is, ook deze kinderen zijn de verschoppelingen van de grote stad en voelen zich vaak zó verdomd alleen.

 

Dit verhaal is ook gepubliceerd in het Liber Amicorum dat verscheen ter gelegenheid van de pensionering en het afscheid van Ton Notten, oktober 2011.

(1)A.L.T. Notten: Overleven in de stad. Inleiding tot sociale kwaliteit en urban education. Anterwerpen/Amsterdam: Garant 2004.  p.63

(2) Ciske de Rat p. 185

(3) Idem p.55

(4) Idem p.277

(5) Idem p.299

(6) Idem p.355

(7) Bron: O+S De Amsterdamse Leefsituatie 2011

(8) Dossier Armoede in Gezinnen – achtergronden – cijfers. Nederlands Jeugdinstituut 2011

(9) Idem

(10) Idem

(11) Dossier Armoede in Gezinnen – achtergronden – cijfers. Nederlands Jeugdinstituut 2011.

(12) Dossier Armoede in Gezinnen – overheidsbeleid. Nederlands Jeugdinstituut 2011.

(13)  Ciske de Rat p.16

(14) De Volkskrant 25-06-2011

(15) Zie De Volkskrant (24-06-2011): “Ouders van Kelly’s en Kimberly’s hebben het niet breed.”

Een krijsend kind in de supermarkt

Radiocolumn:

Het is een nachtmerrie voor (bijna) alle ouders en alom spreekt men er schande van: een kind dat languit in de winkel gaat liggen krijsen, of gilt dat het NU deze koekjes wil. De ouders, bang voor de prikkende blikken in hun rug, sussen het kind en geven het dan maar zijn of haar zin. Waarna men er nog meer schande van spreekt of denkt. Zie je wel: die ouder kan geen grenzen stellen, dat kind wordt gewoon verwend. Zijn dwingende gedrag wordt beloond, wat moet dat worden in de toekomst? Het kind een pak voor de billen geven is al helemaal uit den boze. Slaan is immers taboe? Hoe overleeft een ouder het spitsuur in de supermarkt? Hoe deden ze dat vroeger?

Nou, om te beginnen wáren er vroeger helemaal geen supermarkten. De winkels hadden een toonbank, en als je aan de beurt was vertelde je wat je graag kopen zou en dat werd je dan aangereikt. Niks geen verleidelijke pakken Dora-koekjes op kinderhoogte. Die bestonden trouwens ook nog niet. De meeste boodschappen werden trouwens thuisbezorgd, van brood en melk tot en met groenten en vlees. Bij de kruidenier hoefde je eigenlijk niet dagelijks te zijn. En natuurlijk stond er een pot met snoepjes op de toonbank. En als je geluk had mocht je als kind er daarvan één uitzoeken.
Ergens in de jaren vijftig of zestig werd de supermarkt uitgevonden, of eigenlijk werd deze vanuit Amerika ingevoerd waar dit fenomeen al langer bestond. Mèt de supermarkt werd de marketing uitgevonden: hoe kun je de klanten zo veel mogelijk verleiden je producten te kopen. Deze marketing werd een complete wetenschap, die zich richtte op het onbewuste: gevoelens, emoties, identiteit. Zo bleek uit onderzoek dat mensen in een supermarkt minder vaak met de ogen knipperden, alsof ze in een soort trance waren. Bij de kassa nam de frequentie van knipperen dan enorm toe, hetgeen wijst op stress (1). Marketeers weten dit allemaal – en nog veel meer. De supermarkt (en vele andere winkels) zijn dan ook maximaal ingericht om tot aankoop te verleiden. Niet voor niets beginnen supermarkten met een groenteafdeling: als je net binnenkomt ben je nog helemaal alert(2). De groenteafdeling vraagt weinig alertheid en geeft ook weinig verleiding. De echte verleidingen staan verderop, en vooral bij de kassa. Is het je nooit opgevallen dat nu vrijwel elke kassa omgeven is door chocola en zoetigheid? Niet alleen bij de supermarkt, maar ook bij de blokker, de drogisterijketen, de bouwmarkt, de benzinepomp, etcetera?  Dat is niet voor niks.

Kinderen zijn nog veel kwetsbaarder voor dit soort verleiding, en dat weten ze bij de supermarkt en andere winkels ook. Die prinsessen- en piratenkoekjes op kinderhoogte zijn beslist geen toeval, maar keiharde marketing. Natuurlijk zeggen de fabrikanten dat het allemaal de veranwoordelijkheid van de ouders is om grenzen aan hun kind te stellen. Maar in het spitsuur van de supermarkt – lange dag achter de rug, jijzelf en je kind(eren) moe- heb je al genoeg energie nodig om je eigen gedachten bij elkaar te houden. Is het dan vreemd dat je kind op hol slaat? Als moderne ouders hebben we er een flinke klus aan, zonder dat we er ooit een gebruiksaanwijzing voor in handen hebben gekregen. Toegeven mag niet, laten krijsen ook niet, en slaan al helemaal niet. En ondertussen doen de marketeers hun uiterste best om kinderen tot zeuren aan te wakkeren.(3)
Wat is wijsheid? Wéét dat de supermarkt zo ingericht is om jou en je kinderen maximaal te prikkelen en verleiden. Het liefst laat je je kids helemaal thuis, maar die optie is er nou eenmaal niet altijd. Je kunt wel je kind laten ‘helpen’: in plaats van verbieden, kun je het laten meezoeken naar de macaroni. En als het aankomt met een pak Spongebob macaroni (ja dat bestaat) zeggen: “ja, dat is Spongebob, leuk hè?” En dan terugleggen. Of laten kiezen tussen twee mogelijkheden die jij bepaalt.

En als je met zo’n hummel door een speelgoedpaleis loopt, verwacht er dan niet teveel van. De prikkels daar, met al dat geel, blauw en roze, zijn gewoon méér dan welk kind dan ook kan verdragen. Ik zag ooit een jongetje steeds met ander speelgoed naar zijn vader rennen, die vervolgens boos werd. Hij had ook kunnen zeggen: “tjonge, wat is dat een mooie auto.” Het joch was hooguit drie…
Maar weet ook, dat de meeste volwassenen je sores zullen herkennen. We hebben allemaal wel eens met een krijsend kind in de supermarkt gelopen. Zo stond ik ooit bij de kassa met een luidruchtig tegenstribbelend kind, dat haar zin niet kreeg. Een oudere dame legde haar hand op mijn arm en zei: “je doet het goed hoor!”

Noten:

(1)Vance Pacquard: de verborgen verleiders. (The hidden Persuaders, 1957)
(2)Asha ten Broeke en Ronald Broekhuizen: Eet mij. Amsterdam 2012.
(3)zie ook het rapport van Foodwatch over kindermarketing: https://www.foodwatch.org/nl/onze-campagnes/onderwerpen/kindermarketing/rapport-kindermarketing/

(dit blog verscheen in maart 2013, in september 2014 heb ik hem als radiocolumn uitgesproken op Radio Rijnmond)

Wie voeden er op, de ouders of de school?

Debat op 2, een programma van de KRO en NCRV, heeft deze keer (december 2011) als thema: wie voedt er op, de ouders of de school? Dit naar aanleiding van de recente oproep van Minister Van Bijsterveldt aan de ouders om meer tijd aan de begeleiding van hun kinderen te besteden.

De vraag: Wie voedt er op, de ouders of de school?” kan op verschillende manieren worden uitgelegd, vandaar ook de verhitte discussies. Als bedoeld wordt: wie behoren er op te voeden, dan zou ik zeggen dat de ouders de eerste verantwoordelijkheid èn zeggenschap hebben, dat de school een belangrijke (aanvullende) taak heeft omdat onderwijs aan kinderen en jongeren ook vorming inhoudt en dat in het ideale geval beide partijen zowel de eigen verantwoordelijkheid nemen als ook goed samenwerken en overleggen.

Als de vraag niet verwijst naar wat zou moeten zijn, maar wat is (in de sociologie bekend als het verschil tussen “sein” en “sollen”) dan wordt de zaak complexer. Al vaak heb ik verwezen naar het Gezinsrapport 2011 van het SCP, waarin staat dat ouders tegenwoordig veel meer tijd aan opvoeding en begeleiding van kinderen besteden, dan enige decennia geleden.  Dat geldt voor verreweg de meeste ouders, maar helaas lang niet alle.  Scholen klagen op hun beurt, dat zij steeds meer opvoedtaken op hun bord geschoven krijgen.

Naast de vraag of dit inderdaad betekent dat ouders het laten afweten (daarover straks meer), heeft dat ook een andere oorzaak. We leven in een snel veranderende maatschappij, waarin we problemen en vraagstukken vaak via het onderwijs willen oplossen. Op zich is dat niet onlogisch, het onderwijs is al een soort maatschappelijk doorgeefluik van kennis, waarden en normen en via het onderwijs bereik je vrij eenvoudig vrijwel alle kinderen en via hen de ouders. Een dergelijk bereik is via Postbus 51 of Sire-reclame nauwelijks te verkrijgen. Dit heeft echter als gevolg dat scholen dagelijks de meest uiteenlopende verzoeken op hun bord krijgen, variërend van verkeersveiligheid tot het nuttigen van vers fruit, van beweging tot financiële opvoeding, van het veilig gebruik van internet tot seksuele opvoeding en de acceptatie van homoseksualiteit. Daarnaast is er nog een vast curriculum van rekenen, taal en vele andere vakken op welk vlak de school een hoog niveau dient te bereiken. Geen wonder dus, dat zij zich overvraagd voelen.

Ook op een andere manier hebben scholen te maken met problemen in de samenleving, namelijk via de leerlingen en hun ouders. Het onderwijs is van oudsher een instituut dat het beste aansluit, zowel in kennisniveau als in omgangsvormen, bij de (hogere) middenklasse.  In de trilogie Ciske de Rat, vertelt de schoolmeester hoe hij met de schoffies omgaat, het verhaal speelt vóór de Tweede Wereldoorlog.  Tegenwoordig is het besef van sociale klassen uit het dagelijks bewustzijn verdwenen, het ideaal is immers dat alle kinderen gelijk zijn? Maar het blijkt dat er wel degelijk verschillen zijn in opleidingsniveau van de ouders en hun sociaal-culturele achtergrond. Die verschillen hebben gevolgen voor de taak van de onderwijzers. Vooral ook omdat de ouders uit de tegenwoordige lagere sociale klassen veelal van allochtone komaf zijn, hetgeen de communicatie niet bevordert.  Daarbij komt óók nog eens, dat de leerplicht naar boven is bijgesteld. Ging vlak na de oorlog het grootste deel van de jongeren met 13 of 14 jaar van school af (en hierbij ging het vooral om de jongeren uit de lagere sociale klassen!), tegenwoordig blijven alle kinderen tot hun 18e op school òf tot zij hun `startkwalificatie’ (minimaal MBO niveau 2) hebben behaald.  De vorming van deze jongeren is dus verplaatst van de fabrieken naar de scholen, die daar soms een flinke kluif aan hebben.

Dan is er nog een zeer belangrijke ontwikkeling, namelijk dat de arbeidsparticipatie van moeders enorm is toegenomen. Nederland heeft een vrij lange periode gekend waarin vrouwen thuis zaten, waar zij de zorg voor gezin en huishouden hadden. Het ideaal van de burgerlijke middenklasse (zeg maar rust, reinheid en regelmaat) stond hierin centraal, hetgeen goed aansloot bij de verwachtingen van de scholen. Dit is de laatste decennia veranderd, onder invloed van emancipatie, hogere onderwijsdeelname van vrouwen, maar ook onder invloed van huizenprijzen en de bijbehorende hypotheek, carrièremogelijkheden en –eisen èn echtscheidingen. Ouders van nu, mannen èn vrouwen, proberen nu zowel een aanvaardbaar inkomen te verdienen als voor hun kinderen te zorgen, samen of alleen. De zorg voor die kinderen is daarbij de laatste decennia intensiever geworden. Scholen vragen ook veel meer, van leesouders tot hulp bij versieren van de school en vele, vele activiteiten.

Waar beide partijen, de ouders en de scholen, dus in de laatste decennia steeds zwaarder worden belast, zijn de verwachtingen naar elkaar niet meer op elkaar afgesteld. De overheid heeft hier een rol in, omdat zij via beleid zowel de omstandigheden schept of beïnvloedt, als de voorwaarden creëert  waarin ouders en scholen functioneren.  En hier gaat het mis. De overheid verwacht dat vrouwen deelnemen aan de arbeidsmarkt, maar bezuinigt op kinderopvang. De overheid wil dat vaders actiever bijdragen aan de zorg voor kinderen, maar regelt bijvoorbeeld geen recht op meer vrije dagen na de geboorte van een kind. De overheid wil dat scholen passend onderwijs bieden, maar bezuinigt op de middelen. Met name laat de overheid het afweten waar zij de wederzijdse verwachtingen van ouders en scholen naar elkaar en op elkaar zou moeten afstemmen.  De oproep van Minister van Bijsterveldt, dat ouders meer tijd aan hun kinderen zouden moeten besteden, is uit te leggen als het maskeren van haar eigen falen om zowel onderwijs als ouders beter te ondersteunen bij het verrichten van hun taken.  Op deze manier kan zij de ouders de schuld geven van haar eigen falende beleid en tegelijk bezuinigen op het passend onderwijs. Het is een afleidingsmanoeuvre, trap er niet in!

(naschrift)

Overigens ben ik er helemaal niet van overtuigd dat scholen zo om die betrokken ouders zitten te springen. Mijn ervaring is dat scholen ouders vaak niet serieus nemen als zij een probleem aankaarten, en al helemaal niet als dat probleem op school ligt. Ouders moeten uiterst voorzichtig zijn, vooral de leerkracht en de schoolleiding te vriend zien te houden en krijgen al heel snel het predikaat `lastig’. Een conflict met de school moet je tegen elke prijs zien te vermijden, omdat dat ernstige gevolgen kan en zal hebben voor je kind.

(Dit blog verscheen in december 2011)

Red onze jongens!

Op de ouderavond voor alle 2 VWO klassen van een grote scholengemeenschap in mijn woonplaats, vertelde de coördinator dat er in heel 2VWO van deze school 107 leerlingen zijn, waarvan 70 meisjes en 37 jongens. Volgens haar was dat niet zo problematisch, immers, een aantal decennia geleden, toen zij op school zat, `was dit omgekeerd en maakte ook toen niemand zich druk daarover.’ Gelach en herkenning van de ouders in de zaal. Maar is het echt zo onproblematisch, vroeg ik me af. Wat is er aan de hand?

Het is de laatste tijd in de mode om allerlei verschillen tussen jongens en meisjes te verklaren aan de hand van wetenschappelijke inzichten uit hersenonderzoek. Wij zijn ons brein, zeg maar.  Het brein van jongens ontwikkelt zich anders en trager dan dat van meisjes, zodat meisjes in de puberteit een voorsprong hebben op jongens. Het is dus logisch en een teken van geslaagde emancipatie dat meisjes nu een voorsprong hebben op jongens. Bovendien, zo wordt aangevuld vanuit pedagogische hoek, is het onderwijs de laatste decennia `gefeminiseerd’: er staan steeds meer vrouwen voor de klas die meisjesgedrag goedkeuren en drukker jongensgedrag afkeuren. De inhoud van het onderwijs is bovendien (daardoor?) ook vrouwelijker geworden, met meer nadruk op samenwerking en zelfstandig werken, zaken waar meisjes beter in zijn dan jongens. Jongens missen daarbij ook nog eens een mannelijk rolmodel, nu ze vanaf de kinderopvang tot en met het voortgezet onderwijs in een vrouwenwereld moeten leven. De laatste tijd groeit de roep om meer mannen in het onderwijs, maar onduidelijk is waar die mannen dan vandaan moeten komen. Op de pedagogische academies vormen de mannelijke studenten een zeer kleine minderheid, waarvan ook nog eens de helft voortijdig afhaakt.

De vraag is: zijn deze verklaringen afdoende, en zo ja, moeten we ze dan maar accepteren? Immers, een groot deel van de jongens die voorheen wèl het VWO haalden, haalt dat nu niet meer. Als beoogde kennissamenleving kunnen wij ons dat niet permitteren. Een generatie jongens komt nu niet uit de verf en dat is niet alleen op persoonlijk, maar ook op maatschappelijk en economisch niveau, doodzonde. Er moet daarom nog eens goed gekeken worden naar de factoren die in deze ontwikkeling een rol spelen.

Ten eerste wil ik de biologische verklaring van een paar kritische kanttekeningen voorzien. Een aantal decennia geleden was het erg in de mode om te kijken naar sociale bepaling als oorzaak voor de verschillen tussen jongens en meisjes. Jongens werden opgevoed om sterk en de baas te zijn, meisjes werden opgevoed om te zorgen. Alle verschillen tussen jongens en meisjes hadden volgens die opvatting hun oorzaak in de opvoeding. Dat moest anders: jongens moesten nu met poppen spelen en meisjes moesten in bomen klimmen.  Dit bleek maar tot op zekere hoogte te werken, de verschillen tussen jongens en meisjes bleken hardnekkiger dan gedacht. Nu is de opvatting helemaal naar de andere kant omgeslagen: alle verschillen worden nu toegeschreven aan de biologie, aan het brein. Maar ook nu schieten we hierin door: immers, de verschillen binnen de seksen zijn groter dan de verschillen tussen de seksen. Oftewel: binnen de groep jongens zijn de verschillen groter dan de gemiddelde verschillen tussen jongens en meisjes. En dus ook: binnen de groep meisjes zijn er grotere verschillen dan die tussen jongens en meisjes. Die verschillen worden nu veronachtzaamd: heel zachtaardige communicatieve jongens, of meisjes met een sterk ruimtelijk inzicht en een wiskundeknobbel, krijgen minder ruimte. Onlangs werd op grond van de biologische verschillen en het minder presteren van jongens, een pleidooi gehouden voor gescheiden onderwijs, maar dat houdt geen rekening met deze verschillen.
Het nadeel van biologische verklaringen is dat ze sociale processen maskeren of goedpraten. Sociale verschillen worden nu gelegitimeerd door biologische verschillen: het zit nu eenmaal in onze genen. De vele sociale factoren die een rol spelen in mannen- en vrouwengedrag, worden daardoor over het hoofd gezien, bevestigd, goedgepraat of zelfs versterkt. Want wat me wel opgevallen is, is dat de sociale definities van mannen en vrouwen in de afgelopen 30 jaar sterker verschillend en veel dwingender zijn geworden. Zelf kom ik uit de Pippi Langkous generatie: wij groeiden in de jaren 70 op met Pippi als rolmodel, sterk en zelfstandig. Emancipatie was nog geen scheldwoord, maar een legitiem doel. Wij droegen als meisjes tuinbroeken en speelden met zowel poppen als auto’s en vooral, wij klommen in bomen en stookten fikkie op een braakliggend landje. Dat zie ik bij de huidige kinderen anders: meisjes worden vanaf een jaar of drie helemaal bestookt met roze prinsessenattributen. Jongens moeten stoer zijn en piraat. Zelfs een babyzaak heeft al rompertjes in blauw met “stoer” erop en in roze met “lief”  erop. Al vanaf de wieg wordt het verschil dus al benadrukt. De wat stoerdere meisjes komen, ook op de basisschool, nog wel enigszins aan hun trekken, maar de wat lievere jongens worden al vanaf groep 1 door hun leeftijdgenootjes flink aangepakt (als de ouders al niet bang waren dat ze misschien niet flink genoeg waren) en het scheldwoord HOMO laat niets aan duidelijkheid te wensen over. Als je niet flink genoeg bent, ben je een mietje, een watje, een homo.  Ja, anno 2011.

De sociale druk op jongens en meisjesgedrag is dus veel sterker geworden. De biologische verschillen zijn hetzelfde gebleven. Jongens waren (gemiddeld dus, hè?) altijd al later in hun ontwikkeling dan meisjes, dat is echt niet van de laatste decennia. Toch konden ze altijd heel goed meekomen op het VWO. Waarom nu dan niet meer? Inderdaad, de feminisering van het onderwijs. Maar in het voortgezet onderwijs zijn wel degelijk mannelijke leerkrachten, terwijl in het vmbo, waar de jongens oververtegenwoordigd zijn, vooral mannelijke docenten werken. Waarom vallen er dan bij de overgang van de brugklas naar het VWO of de HAVO zoveel jongens naar beneden? Omdat ze minder goed zijn in samenwerking? Samenwerking, zelfstandig werken en een talige omgeving horen bij de ontwikkelingen in deze samenleving. Wij zijn een postmoderne dienstensamenleving geworden, gericht op overleg, kennis en dienstverlening. Ook samenwerking, overleg en communicatie zijn daarin belangrijk, dus ook in het onderwijs, dat jongeren voorbereidt op hun toekomst. Voor het onderwijs ligt er een taak om te zien of er iets aan de `taligheid’ gedaan kan worden. Maar als je kijkt naar beroemde taalkundigen, dan zijn dat… juist, mannen.

Door de snelle technologische ontwikkelingen is de samenleving meer gericht op inzicht en verwerking, en minder op vaststaande kennis. Toch is het vreemd dat jongens het dan niet juist heel goed doen. Immers, die zijn toch heel goed met techniek en computers? Jongensspeelgoed ligt veel meer in de voorbereidende sfeer dan al dat roze meisjespoppen en schattige diertjes gedoe, zou je zeggen. Om nog maar te zwijgen van alle kindermake-up, glitters en nagellak.

De leefwereld van jongens

Biologie, onderwijs, socialisatie en opvoeding spelen dus een rol. Maar ook de huidige leefwereld van jongeren, van jongens, biedt een paar aanknopingspunten. Ten eerste is het alcohol- en middelengebruik onder jongeren de afgelopen decennia enorm toegenomen, vooral onder, inderdaad, jongens. Deze trend is gesignaleerd en wordt nu vanuit de overheid met campagnes aangepakt. Dat heeft wel resultaat: het alcoholgebruik onder jongeren tot 16 jaar neemt in de laatste paar jaar weer iets af.  Toch heeft nog steeds 35% van de jongens in groep 8 van de basisschool ervaring met alcohol, tegen 22% van de meisjes (cijfers uit 2009, die jongens zijn dus nu 14). En hoewel volgens deze cijfers evenveel jongens als meisjes tussen de 12 en 16 jaar alcohol drinken (38% tegen 37%), is er wel verschil in dat alcoholgebruik: 12% van de jongens drinkt op een weekenddag meer dan 10 glazen, tegen 7% van de meisjes. Van de 16 jarige jongens geeft 58% aan wel eens dronken te zijn geweest, tegen 39% van de meisjes. Bij dergelijke aantallen is het wellicht nuttig eens te kijken naar een mogelijk verband met schoolprestaties van jongens.

Maar ik ben nog niet klaar. Als ik rond een uur of drie, als de scholen voor voortgezet onderwijs uitgaan, bij onze buurtsuper ben, zie ik ze komen. De jonge knullen met hun gelkapsels en glimmende jacks. In groepsverband drommen ze de supermarkt in, op zoek naar: energy drinks. Een snelle rondvraag bij de caissières bevestigt mijn vermoeden. Het zijn vooral de jongens die met meerdere blikjes energy drink de supermarkt verlaten. Iedere dag. Meerdere blikjes. Een blikje energiedrank bevat evenveel cafeïne (85 mg) als een kop sterke koffie. Gemiddeld dan, want er zijn ook merken die veel meer cafeïne bevatten (zoals het superstoere merk Monster met 150 mg ). Daarnaast bevatten energiedranken ook nog eens de stof guarana, dat verwant is aan cafeïne. Juist de 12-, 13-, 14-jarige jongens zijn fysiek nog lang niet zo groot en zwaar als volwassenen (en ook kleiner dan de meisjes, hoewel die dus veel minder energiedrank lijken te drinken). Per kilogram lichaamsgewicht komt de cafeïne in deze energiedranken dus extra hard aan (om nog maar te zwijgen van de enorme hoeveelheid suiker in de energiedranken, 100-150 gram per liter, en de gevolgen die dat heeft voor de bloedsuikerspiegel). De nadelen van energiedranken worden wel onderkend, zij het nog matig. Voor kinderen van 10-12 wordt een maximum van 1 blikje energiedrank per dag aanbevolen. Maar de invloed van deze dranken op jongens is bij mijn weten nog niet onderzocht. Toch zou je je moeten afvragen wat al deze cafeïne met de toch al stuiterende jongenslijven en -breinen doet. Bovengenoemde scholengemeenschap heeft in ieder geval de energiedranken op school verboden. Maar wat er na schooltijd gebeurt, daar heeft de school geen invloed op.

Dan de indrukken. Kijk voor de aardigheid eens naar de aankondiging van het jeugdjournaal en probeer de flitsen en beeldwisselingen eens te tellen. Inderdaad, niet te doen. Toch is het speciaal bedoeld voor kinderen. De kinderen en jongeren van nu leven in een wereld waarin zeer veel indrukken op ze afkomen. Tel daarbij op het zogenaamde multitasken en de voortdurende aanwezigheid van allerlei soorten media, en je begrijpt dat ook hier een probleem kan zijn. Het is heel goed mogelijk dat deze veelheid aan indrukken juist moeilijker is voor jongens. Uit, jawel, hersenonderzoek blijkt dat juist jongens kwetsbaarder zijn voor hersenbeschadiging en ontwikkelingsstoornissen.

Ten slotte de jeugdcultuur. Rondvraag onder jongens in mijn omgeving –uiteraard is dit geen voorbeeld van een gedegen opgezet representatief onderzoek!- levert steevast hetzelfde beeld op: voor meisjes is het nog wel oké om goed op te letten in de klas en je huiswerk te maken, maar onder jongens wordt dit niet `cool’ gevonden. Juist in de leeftijd 12-15 jaar is de groepsdruk en de groepsverwachting van grote invloed onder jongeren.

De huidige populariteit van de trend om alle verschillen tussen jongens en meisjes op te hangen aan verschillen in hersenontwikkeling, is wel te begrijpen. Het geeft een mooie verklaring en we hoeven verder niets te doen, het is immers door de natuur bepaald? In mijn bovenstaande betoog heb ik hopelijk laten zien dat er wel meer aan de hand is, dat er zeer waarschijnlijk niet sprake is van één oorzaak en één ontwikkeling. En dat er in de huidige leefwereld van jongens een paar aanknopingspunten zijn voor verder onderzoek en vooral, grote zorg.

 

Voor meer informatie:

Asha ten Broeke schreef een geweldig boek over de al dan niet vermeende verschillen tussen mannen en vrouwen: “Het idee M/V”
Een mooi maar dubieus voorbeeld van het taliger worden van het onderwijs, is te vinden in het HAVO examen wiskunde. let wel: wiskunde, van 2011. Vraag 1 gaat over het brandstofverbruik van auto’s, vraag 2 gaat over taartpunten die verdeeld moeten worden. Vraag 3 gaat over het uitsterven van onregelmatige werkwoorden in het Engels en vraag 4 heeft als titel: “zijn meisjes beter in taal?”.  (met dank aan Ingrid Glorie, docent)
Voor cijfers over alcoholgebruik zie het Trimbos Instituut: http://www.trimbos.nl/~/media/Themas/7_Feiten_Cijfers_Beleid/NDM%20Jaarbericht%202010.ashx#page=159

Voor informatie over cafeïne in energiedrank, zie: http://gogoguarana.wordpress.com/2010/02/18/onderzoek-gevaren-van-cafeine-in-energiedrankjes/  en wikipedia: http://nl.wikipedia.org/wiki/Energiedrank#cite_note-Oivo-Verbod-0

Verschil in kwetsbaarheid jongens en meisjes: N.J. Nicolai en Th. J. Heeren: Genderspecificiteit in de psychiatrie. http://www.empty-memories.nl/nicolai/genderspecifiteit.pdf
voorbeeld van de grotere kwetsbaarheid van jongens is ook te vinden in de Emancipatiemonitor 2010 van het CBS (pagina 39): “In vergelijking met het gewone basisonderwijs zitten op scholen voor speciaal onderwijs relatief weinig meisjes. In 2009/’10 was een derde van de leerlingen in het speciaal basisonderwijs van het vrouwelijk geslacht, terwijl het basisonderwijs ongeveer evenveel meisjes als jongens telde. Op de speciale scholen was iets minder dan een derde van de leerlingen een meisje.

Onder de zorgleerlingen in het primair onderwijs vertonen veel meer jongens dan meisjes gedrags- en concentratiestoornissen. Ook in het basisonderwijs worden jongens beduidend zwakker dan meisjes beoordeeld op werkhouding en sociaal gedrag (Driessen en Van Langen 2010). Vanaf schooljaar 2003/’04 zijn de speciale scholen op basis van handicaps of stoornissen van de leerlingen onderverdeeld in vier clusters (cbs 2010a). Jongens zijn vooral oververtegenwoordigd in cluster 4: ernstige ontwikkelingsstoornissen. In 2009/’10 was 80% van de leerlingen in dit cluster van het mannelijk geslacht.”

Reacties op dit blog:

Dick van der Wateren, 27 januar 2012:

Goed stuk, dat begin kan zijn van nieuwe aanpak om jongens beter te betrekken bij de lessen. Als je een op een met jongens praat, is mijn ervaring, willen ze heel graag leren en beter presteren. Het gaat o.a. Om het vinden van de juiste toon. Ik denk dat een vrouwelijke docent dat net zo goed kan als een man. Belangrijk is datwe kinderen serieus nemen en naar ze luisteren. Niet meteen met ons oordeel of advies komen. Ook helpt het om een drukke jongen (of meisje) even naar buiten te laten gaan om een rondje te lopen. Geen straf dus, maar even bewegen en een luchtje scheppen. Zolang een schooldag niet begint met een uur sporten voor alle kinderen, kan dat genoeg zijn om er weer even tegen aan te kunnen.

Mieke van Stigt, 28 januari 2012:

Dank je wel voor je mooi reactie! Inderdaad is beweging heel belangrijk, wat dat betreft sluit het huidige onderwijs echt onvoldoende aan bij wat jonge mensen nodig hebben om goed te kunnen leren. Ook is vaak de ventilatie erg beroerd, zodat het scheppen van een luchtje echt heilzaam kan zijn. Daarnaast ben ik het met je eens dat een goed contact, waarin de docent de leerling serieus neemt, essentieel is. De leerling kan meestal heel goed aangeven wat hij of zij nodig heeft!
Inderdaad denk ik dat vrouwelijke docenten net zo goed overweg kunnen met jongens als mannelijke docenten. Enerzijds moeten docenten zich bewust zijn van de verschillen tussen jongens en meisjes, anderzijds moeten ze ook weten dat júist het feit dat de samenleving (en daarmee de docent en de leerlingen zelf ook) zo’n verschil maakt tussen jongens en meisjes, de problemen vergroot!

Jaap Haasnoot:

Ja, dan zijn we toch weer terug bij Rust, Reinheid en Regelmaat ( http://www.optimalegezondheid.com/rust-reinheid-en-regelmaat/ ), en dat is waarschijnlijk terecht. Wat ik interessant vind is wat we met de waarnemingen uit de blog kunnen doen om ons onderwijs waaronder ook de onderwijsomgeving (sociaal, fysiek, mentaal) zo in te richten dat deze optimale voedingsbodem voor leren biedt. Er zijn genoeg aangrijpingspunten lijkt mij zo.

(Dit blog verscheen in november 2011, de reacties heb ik meegenomen)

De Schijf van Vijf is in de supermarkt niet te vinden

Kinderen eten te weinig groente en fruit, volwassenen zijn te zwaar, zo blijkt uit een vandaag  (6 oktober 2011) gepresenteerd onderzoek van de RIVM, dat voor het eerst in 13 jaar volksbreed onderzocht wat Nederlanders precies eten, hoe vaak en wanneer. Op de site van het RIVM staat niets over de oorzaken van het ongezonde eetpatroon, maar wel dat de uitkomsten van dit onderzoek gebruikt kunnen worden om Nederlanders beter te adviseren over hun voedingspatroon èn om het aanbod te verbeteren. De kop van het persbericht op de site luidt: “Veel Nederlanders laten gezonde voeding staan.” De Volkskrant weet in de berichtgeving over het onderzoek (6-10-2011, “Nederlanders eten te weinig groente”) nog te melden dat: “De peiling past in het beleid van het Ministerie, dat mensen zelf keuzen laat maken over hun leefstijl, maar hen wel wil informeren over wat de verstandigste keuzen zijn.”

Nu de praktijk. De supermarkten puilen uit van de samengestelde producten vanuit de voedingsindustrie. Fantasieproducten waaraan suiker, zout en vet is toegevoegd en die langer houdbaar zijn. Verse, onbewerkte groenten, fruit, zuivel en vlees vormen een kleine minderheid van het aanbod. Producten waaraan geen suiker, zout, kruiden of specerijen zijn toegevoegd, zijn steeds moeilijker te vinden, ga zelf maar eens kijken. Van de ruim 250(!) soorten, merken en verpakkingen toetjes maakt ongezoete yoghurt maar een zeer klein deel uit, om maar een voorbeeld te noemen.  Deze trend speelt natuurlijk in op de wensen van de consument, die graag in weinig tijd een maaltijd wil bereiden. En ook op de veranderde smaak van mensen: liever meer suiker, meer zout, meer vet. Daarover valt nog veel te zeggen, maar ook voor degene die bewuster, gezonder wil eten, is het niet eenvoudig om in het oerwoud dat supermarkt heet, de juiste keuze te maken. Het is nog veel moeilijker om met de schijf van vijf in de hand, de boodschappen te doen. Wat daarop staat, lijkt in bijna niets meer op het aanbod in de schappen.

Maar ook in de omgeving waar volwassenen en kinderen met eten te maken krijgen, is het niet eenvoudig de gezonde keuzes te maken, zelfs als je daar bewust op let. In winkelcentra zijn de vette en zoete lekkernijen steevast veel goedkoper en vooral overvloediger aanwezig en opdringerig wat betreft verleidelijke geuren, dan de gezonde varianten. Kantines in bedrijven en scholen ruiken naar frituur (probeer dan nog maar eens tevreden te zijn met je broodje rookvlees) en ook hier zijn de zoete koeken ruimschoots voorradig. De schijf van vijf is steeds verder te zoeken en de (door de geuren aangewakkerde) honger knaagt.

En als je als oplettende moeder je kind gezond wil laten eten, is er nog een valkuil: de verpakte tussendoortjes. De fabrikanten van koeken en andere “tussendoortjes” (een term waarmee de slimme fabrikanten de consumptie ervan als een vanzelfsprekende behoefte definiëren) hebben in de afgelopen jaren een gigantisch en nog immer groeiend aanbod van portieverpakkingen geproduceerd, voornamelijk (maar niet alleen) gericht op kinderen die deze portieverpakkingen mee naar school nemen. Vaak worden deze tussendoortjes als gezond of verantwoord gepresenteerd, ze zijn het echter geen van beide. Zo neemt een willekeurige basisschoolleerling als pauzehapje (rond half elf) een beker of pakje limonade of andere gezoete drank (90 tot 120 kcal) plus een verpakte portie koeken (daar zitten er meestal twee, drie of vijf in!!, gezamenlijk 145 kcal of meer) tot zich. Tezamen minimaal 235 kcal, als tussendoortje!! De voedingswaarde van dit alles is gering, voornamelijk suiker en verzadigde vetten. Ook een portieverpakking als ontbijtkoek `snelle jelle’ staat gelijk aan twee plakken zelfgesneden ontbijtkoek, à 90 kcal. Men adverteert met `weinig of geen vet’, maar het zit vooral vol suiker. Suggesties van mijn kant destijds aan de school van mijn dochter, om deze porties te verbieden, zelf thee met één biscuitje (30 kcal) aan te bieden of alleen fruit toe te staan, werd niet eens overwogen maar meteen geweigerd als zijnde `betuttelend’. Tegelijk echter schiep deze school zelf de omstandigheden waarin mijn dochter met banaan of appel , of zelfs maar met een geopende verpakking waarin één meeneemkoek, een uitzondering was.

Een ander bijverschijnsel van de portiecultuur is de traktatie bij verjaardagen (een zakje chips, à 150 kcal) en het aankomende Sint Maarten: waar je voorheen een snoepje kreeg, krijg je nu een voorverpakte portie, van meerdere snoepjes, een minimars o.i.d. of alweer een zakje chips.  In het dagelijks leven van een kind gaat bijna geen dag voorbij dat het NIET in aanraking komt met een dergelijke `portie’.

Het RIVM wil, in samenwerking met of opdracht van het Ministerie, vooral voorlichting geven over gezonde keuzes. Bovenstaande laat zien hoe de verantwoordelijkheid geheel bij het  (vaak goedwillende)  individu wordt gelegd. Keuzevrijheid is immers het parool. Maar het overzicht is ver te zoeken en de verleiding is groot. Dit is ook wat Sidney Minz al in 1985 schreef, in zijn boek “Suiker en Macht” (1985:222) “De beslissing over zijn persoonlijk lot, voor zover het de gezondheid betreft, wordt direct op de schouders van het individu gelegd, hoewel er overal in de samenleving verlokkingen zijn die het risico voor het individu om een ziekte te ontwikkelen, doen toenemen.” Dit heeft de afgelopen decennia alleen maar aan actualiteit gewonnen. Nog meer is het van toepassingen op kinderen, die, nog minder dan volwassenen, greep en hebben op ( en kennis van) het eigen consumptiegedrag. Zij zijn meer afhankelijk van de omstandigheden, het gedrag van ouders (die meestal onwetend zijn van de enorme hoeveelheden calorieën die zij hun kinderen meegeven) of niet bestand tegen de verleidingen van snoepautomaten op middelbare scholen of de groepsdruk van snoepende leeftijdgenoten.

De voedingsindustrie en de supermarkten hebben helemaal niets te winnen bij een gezond voedingspatroon. Aan gewone melk, groenten en aardappelen valt immers  bijna niets te verdienen. Wel als je er een kant-en-klaar maaltijdproduct van maakt, of een aantrekkelijk tussendoortje, gebaseerd op suiker en vet.  Om de consument tegemoet te komen, wordt er volop geadverteerd met de suggestie van gezond. Terecht wordt door het RIVM daarom niet alleen aan voorlichting gedacht, maar ook aan het aanpassen van het voedingsaanbod. Onderschat wordt echter, hoe moeilijk het is voor consumenten om de juiste keuzes te maken. En hoe groot de rol van de voedingsindustrie, de kantines en de gemaksvoedselaanbieders is.  De schijf van vijf is in de supermarkt, of waar dan ook in het dagelijks leven, nauwelijks te vinden.

Dit blog verscheen in oktober 2011 en heeft sindsdien niets aan actualiteit ingeboet, zie ook deze column op Sociale Vraagstukken van april 2016.

It takes a child to raise a village

Een kind opvoeden tot een gezond en gelukkig wezen hangt af van een gehele gemeenschap, van hoe een gehele samenleving functioneert. Hillary Clinton verwees in haar beroemd geworden toespraak naar een Afrikaans gezegde: “it takes a village to raise a child”, waarbij ze opmerkte dat wij weliswaar meestal niet in een traditioneel dorpsverband leven, maar dat wij de kinderen niet alléén kunnen opvoeden: de gemeenschap waarin wij leven en onze kinderen opvoeden is nog steeds van belang.

Dat geldt ook voor Nederland, hoewel families hier meestal dichter bij elkaar wonen dan in Amerika. Ook in Nederland is het opvoeden een eenzamere aangelegenheid geworden. Door toch de grotere geografische afstand tussen familieleden, maar ook door andere ontwikkelingen zoals individualisering en pluralisering: mensen kiezen vaker hun eigen leefstijl en sluiten daarbij minder makkelijk aan bij hun buren en familie dan voorheen. Ook worden families kleiner: de kunst van het opvoeden kun je minder makkelijk “afkijken” van je broers en zussen, nichten en neven. Daarnaast zijn de eisen die de samenleving aan ouders en opvoeding stellen hoger en ingewikkelder. Een autoritaire opvoeding, waarbij het kind maar heeft te luisteren, sluit niet meer aan bij de toekomstige eisen van zelfsturing waar wij het kind op willen voorbereiden. De meest geschikte opvoeding volgens pedagogen is dan ook een autoritatieve: waarin het kind bijgestuurd wordt door uitleg, gestimuleerd wordt door praten en prijzen en waarin ouders het goede voorbeeld voorleven.

Opvoeden is echter, hoe geïndividualiseerd ook en hoezeer ouders ook hun eigen persoonlijke keuzes maken, geen individuele aangelegenheid geworden. Niet alleen moeten kinderen leren in een samenleving te functioneren, dus tussen en met anderen, nog steeds spelen anderen een belangrijke rol in het leven van het kind. De leidsters van de kinderopvang, de oppas, Opa’s en Oma’s en andere familie, de leraren op de basisschool en later het voortgezet onderwijs, de ouders van de vriendjes en vriendinnetjes waar ze spelen, de sport- en muziekleraren, de volwassenen in de buurt. Een positieve en prettige leefomgeving is heel belangrijk voor het gelukkig en succesvol opgroeien van kinderen: “it takes a village to raise a child”, al ziet die “village” er nu iets anders uit. Een goed voorbeeld hiervan is de straatspeeldag: met elkaar zorgen de ouders uit een buurt ervoor dat de kinderen veilig en leuk kunnen buitenspelen.

Kinderen verbinden

Dan wordt echter ook het omgekeerde duidelijk: hoezeer de kinderen zélf een bindende factor kunnen zijn in een buurt en op scholen. Ouders komen door hun kinderen en in het belang van hun kinderen, bij elkaar om activiteiten te organiseren. Kinderen zelf zijn een sterk bindende factor, en je hoeft maar met een kinderwagen met een pasgeboren baby door het winkelcentrum te lopen om te merken hoe buren je ineens aanspreken die je anders nooit spreekt. Het krijgen van kinderen maakt dat je van een stel een gezin wordt en zelfs in geval van echtscheiding blijf je via de kinderen voor altijd met elkaar verbonden. Het krijgen van kinderen versterkt ook familiebanden: je ouders en schoonouders zijn ook de opa en oma van je kinderen, de kinderen van je zus en broer zijn de neefjes en nichtjes van jouw kinderen. En vooral als je kinderen hebt, blijkt hoe belangrijk de buurt is waarin je woont, voor je kinderen maar ook voor je eigen welbevinden. Kunnen de kinderen veilig spelen, zijn er leuke andere kinderen, hoe is de sfeer met kinderen en volwassenen? Dat is ineens veel belangrijker dan toen je nog geen kinderen had. Maar ook toen gold: een buurt zonder kinderen is een dooie buurt. En als de buurt prettig is voor je kinderen, dan ontstaat en bestaat ook tussen de volwassenen een positieve sfeer van op elkaars kinderen letten, samen leuke dingen doen.

Kinderen zelf zijn dus een belangrijke bindende factor in een familie, in een buurt en in een samenleving. “It takes a child to raise a village”. Dat concept zou centraal moeten staan in programma’s voor buurten, ouders, scholen. Voor een positieve leefomgeving zowel nu als in de toekomst.

 

(Deze tekst is een aangepaste en ingekorte versie van een lezing die ik in juni 2011 hield voor Stichting Present Nederland, als blog verscheen deze tekst in september 2011)

Oorzaak en gevolg

Op diverse media (Het AD en de site van het Nederlands Jeugdinstituut) is het te lezen: kinderen van wie de moeder tijdens de zwangerschap rookte, hebben later meer kans op psychiatrische problemen en het gebruiken van antidepressiva, stimulerende middelen en middelen tegen verslaving. Dat blijkt althans uit Fins onderzoek, gepubliceerd in The American Journal of Epidemiology. Nu behoeft de schadelijkheid van roken tijdens de zwangerschap al lang geen betoog meer, maar bij dit onderzoek is toch enige voorzichtigheid geboden.

Het ligt namelijk voor de hand te concluderen dat het roken zelf de oorzaak is van die latere psychiatrische problemen. Dat zou ook best kunnen, maar een andere verklaring is ook mogelijk. Juist mensen met psychiatrische problemen roken vaker en meer dan andere mensen. Ga maar eens kijken bij een psychiatrische instelling, de rookwolken komen je tegemoet. Het is ook bekend dat dit rookgedrag samenhangt met de psychiatrische problemen, je zou het een vorm van zelfmedicatie kunnen noemen. Het stoppen met roken is in ieder geval lastiger voor deze mensen.  Het is dan ook aannemelijk dat aanstaande moeders met psychische problemen het moeilijker zullen vinden om te stoppen met roken tijdens de zwangerschap.

De (eventuele!) latere psychiatrische problemen of het middelengebruik van hun kinderen kunnen voor een deel erfelijk bepaald zijn, voor een deel ook samenhangen met het opgroeien bij een moeder met psychiatrische problematiek of een verslaving en voor een deel veroorzaakt kunnen worden door het roken zelf. Het is aan de onderzoekers om dit uit te vinden.

(Dit bericht verscheen oorspronkelijk op mijn blog in september 2011)

Hooggevoeligheid en pesten

Langzaamaan komt er meer bekendheid voor het fenomeen “hooggevoelligheid”, met name dank zij het standaardwerk van Elaine Aron en in Nederland de boeken van o.m. Carolina Bont en Marian van den Beuken. Een flinke minderheid (Aron heeft het over 15-20%) van de bevolking is hooggevoelig. Deze mensen (het komt overigens ook in de dierenwereld voor) zijn gevoeliger voor geluiden, geuren, subtiele veranderingen, signalen of behoeften van anderen, dreigend gevaar, maar ook voor spirituele ervaringen of schoonheid van natuur of kunst.

Voor een populatie is het goed dat deze individuen er zijn, die zowel de mogelijke gevaren het eerst opmerken maar ook zorgen voor verbinding tussen mensen en de mogelijkheden en nuances. Het zijn de filosofen, priesters, de kunstenaars en verzorgers. Het is natuurlijk voor een bevolking niet productief als iedereen zo gevoelig is, maar een flinke minderheid waarborgt de veiligheid en zielenzorg van de gehele populatie.
Voor een gevoelig persoon is de wereld, door alle ervaringen die op je afkomen, al snel overweldigend. Alle geluiden, geuren, de drukte, maar ook de positieve en negatieve signalen van andere mensen komen voortdurend op je af. Door “normaal gevoelige mensen” word je niet snel begrepen. Je bent “zwaar op de hand”, je moet je niet “alles zo vreselijk aantrekken”, je maakt van een mug een olifant, je bent een tobber, snel aangebrand, of je begrijpt het verschil niet tussen pesten en een gewoon plagerijtje. Het is niet onwaarschijnlijk dat gevoelige kinderen eerder het slachtoffer worden van pesterijen. Bij het gebruikelijke uitproberen reageren ze heftiger dan andere kinderen, zodat de plagerij succes heeft en een reactie (vaak tranen) uitlokt.

Voor de normaalgevoelige omgeving is het vaak niet te begrijpen dat een kind zo extreem reageert en wordt het plagen (en als dat uit de hand loopt het pesten) vervolgens ook wel begrepen: dit kind reageert toch niet normaal? Het moet maar eens leren alles “van zijn rug af te laten glijden”, “zich er niets van aan te trekken” of “van zich af te bijten”.  Maar juist voor dit kind is dat teveel gevraagd. Zowel zijn of haar gevoeligheid als de onmogelijkheid om de eigen persoonlijkheid te veranderen, worden zo miskend.

In de aanpak van pesten moet rekening gehouden worden met hooggevoeligheid. Voor sommige (veel!) kinderen is de omgeving te overweldigend en is het onmogelijk zo te reageren als andere kinderen. Juist deze kinderen voelen wel aan dat zij anders zijn dan de meeste kinderen. In een veilige omgeving mogen ze zijn wie ze zijn en worden ook hun krachten en kwaliteiten benoemd èn gewaardeerd. Voor zowel het gevoelige kind als voor de omgeving is het goed om te weten dat sommigen nu eenmaal gevoeliger zijn dan anderen, dat er rekening mee kan en moet gehouden worden en dat deze kinderen voor de groep heel belangrijke kwaliteiten hebben.

(Dit blogbericht verscheen oorspronkelijk in september 2011 en werd daar sindsdien door 900 mensen gelezen). Uiteraard komt het onderwerp terug in mijn boek Alles over Pesten)

Spijt

 

Radiocolumn:

Regelmatig hoor ik de stelling dat mensen vaak meer spijt hebben van de dingen die ze niet gedaan hebben, dan van de dingen die ze wel gedaan hebben. De strekking hiervan lijkt te zijn dat je vooral dingen moet dóen in je leven, je krijgt immers spijt als je ze niét gedaan hebt?

Voorwaar een nobel streven. Hier zit echter wel een addertje onder het gras:  Tegenover de vele dingen per dag die ik doe, staan namelijk nog veel meer dingen die ik niét doe. Ik moet al zo veel en ik kan niet alles. Ik maak dus keuzes, vaak met goede redenen. En naarmate er meer keuzemogelijkheden zijn, zijn er dus ook meer dingen die ik niét kies.

Van de dingen die ik wel gedaan heb weet ik vrij goed of die wel of niet bevielen. Van de dingen die ik niet gedaan heb, kan ik dat veel minder zeker weten. Natuurlijk, er zijn keuzes waarvan je tevoren al kunt weten dat het een slecht idee zou zijn, skaten op een drukke snelweg bijvoorbeeld: slecht idee. Maar van de meeste keuzes weet je dat niet zeker.

De dingen die ik niet doe kan ik daarom makkelijker idealiseren: ze worden immers niet aan de realiteit getoetst. Zodra ik een keuze heb gemaakt die in de praktijk blijkt tegen te vallen, lijkt die andere optie dan achteraf toch beter, terwijl je die mogelijkheid helemaal niet hebt uitgeprobeerd. Die kan dus ook niet tegenvallen. De stelling dat je vooral dingen moet doen in je leven omdat je spijt krijgt van dingen die je niet doet, ondermijnt op die manier al je pogingen om met de overdaad aan aanbod en de overload aan eisen om te gaan.

Dit proces van zoveel mogelijk moeten doen, de keuze zoveel mogelijk mijden, leidt tot een soort perfectionisme dat nooit zijn doel bereikt. Weliswaar heb je misschien een mooie ervaring erbij, maar tegelijkertijd heb je geen tijd meer om daarvan ook te genieten. Er zijn immers nog zoveel andere dingen te doen, dingen die je vooral niet mag missen? Zo heb je nooit rust en zullen uiteindelijk al je ervaringen verbleken tegen de achtergrond van de  dingen die je nog niet hebt gedaan. Bungeejumpen geweldig? Maar je bent nog niet uit een vliegtuig gesprongen. Eindelijk kaartjes voor Lowlands gescoord? Maar je bent Rock Werchter mooi misgelopen. De kwaliteit van de ervaring verdwijnt tegen de achtergrond van steeds meer kwantiteit. The sky is the limit, maar zelf heb je geen grenzen meer.

Zeker jonge mensen hebben zwaar te lijden onder deze keuzedruk: ze hebben immers (in theorie) alle kansen, de wereld ligt toch voor ze open? Dan moeten ze nu de juiste, optimale keuze maken: de perfecte studie, de ideale levensstijl. Als er dingen misgaan, is het vervolgens hun eigen schuld, hadden ze maar beter moeten kiezen. Ze komen er pas over twintig of dertig jaar achter dat die ideale keuze niet bestaat, ja zelfs helemaal nooit bestaan heeft. Het leven zelf is de leerschool en er zijn vele, vele wegen naar Rome. Sterker nog, achteraf blijkt dat Rome er niet zo toe doet en dat de weg ernaartoe juist het belangrijkst was.

Het is makkelijk om te zeggen dat je dan maar af moet zien van het maken van keuzes, dat is zeker niet wat ik wil bepleiten. Bovendien, niét kiezen is ook kiezen, met al helemaal geen sturing meer. Nee, dat kunnen we ook niet hebben. Een gids, een handleiding is wat we nodig hebben. De Denker des Vaderlands, René Gude (1), leert ons dat de mens eigenlijk twee fundamentele behoeften heeft, die niet altijd even makkelijk samen gaan. De ene is verbinding, verbondenheid met andere, dierbare mensen. De ander is ontplooiing, het worden wie je kunt zijn, het mogen zijn wie je bent. Het is heel lastig om hier evenwicht in te vinden, en soms moet je voor het één of het andere kiezen. Kies je voor zelfontplooiing waarbij je soms je dierbaren wat minder aandacht geeft, of kies je voor je dierbaren, waarbij je je eigen behoeften op het tweede plan zet? In een ideale wereld kan het allebei, maar de praktijk wijst vaak anders uit. Vrouwen worden vaak onder druk gezet om te kiezen voor verbondenheid, terwijl mannen eerder gestimuleerd worden om vooral zichzelf te ontwikkelen (en ja lieve luisteraars, dat is nog steeds zo (2)).

Het laat zien waar je grootste schuldgevoel dreigt te gaan zitten, maar ook hoe belangrijk het is om op een fundamentele manier voor jezelf te kiezen, waarbij de ene behoefte niet ondergesneeuwd raakt door de andere. Veel mensen –vooral vrouwen dus- geven zichzelf voor meer dan 100% weg, in de hoop dat anderen dat zullen waarderen. Dat is echter (helaas!) lang niet altijd het geval: je aanwezigheid is dan zó vanzelfsprekend dat ze vaak nauwelijks meer opgemerkt wordt, hooguit met irritatie als je er een keer niét bent. Maar kies je je eigen weg zónder verbondenheid, dan bereik je misschien grootse hoogten, maar moet je op je sterfbed constateren dat je de verbondenheid met dierbaren verwaarloosd hebt. Of dat je zelfs zeer weinig dierbaren over hebt gehouden. Het gaat er dus om, trouw te zijn aan jezelf en vandaaruit, aan anderen. Dat je je niet laat leiden door opvattingen of eisen van anderen of door wat je dénkt dat anderen van je willen, maar door datgene wat er voor jou werkelijk toe doet.

Dus als iemand nog eens zegt: je krijgt alleen spijt van de dingen die je niét doet, dan denk ik: ik doe zovéél dingen niet en daar krijg ik geen spijt van. Iedereen maakt keuzes en spijt krijg je alleen van de spijt zelf. Of in de woorden van  koning Lodewijk Napoleon: Doe wel en zie niet om.

(1) Wilma de Rek: Stand-up filosoof, de antwoorden van René Gude. ISVW uitgevers, 2013.

(2) Zie Anna Fels: Vrouwen en Ambitie. Uitgeverij Réunion, 2008

(oorspronkelijk gepubliceerd 12 september 2011, bijgewerkt augustus 2014 als voorbereiding op mijn radiocolumn voor RTV Rijnmond)