Overleven in de stad, de moderne Ciske heet Yusuf

“Bestaan er dan geen opvoedkundigen die de armoede van bijna een miljoen gezinnen als een belangrijke opvoedingsdeterminant beschouwen?” (1)

De stad is voor kinderen van oudsher een bijzondere wereld om op te groeien, met grote verschillen in rijkdom en kansen voor latere opleidingen. In Amsterdam is daar Oud-Zuid, waar kinderen met ongeknipte lange blonde haren (zowel de meisjes als de jongetjes) en oude kaplaarsen (erg hip!) ofwel in bestudeerd-vale maar zeer dure kleding de vrijwel witte scholen bezoeken. Ze worden daar met de designerbakfiets naartoe gebracht. Later gaan ze naar het Stedelijk of naar het Montessori, nog weer later studeren ze, al bijna klaar voor de goede banen op de hippe kantoren. Nauwelijks een kilometer verderop dragen de meisjes op feestdagen de mooiste jurken, met kwikjes en strikjes. Diezelfde meisjes dragen op hun 10e een hoofddoek, bezoeken en masse het vmbo (dat lukt de meisjes nog wel, de jongens vaker niet) waarna de slecht betaalde banen volgen. Op een steenworp afstand van elkaar leven zo twee uitersten, de kansrijken en de kansarmen. En daarmee blijkt er in een eeuw tijd eigenlijk maar weinig veranderd te zijn.

Want over het leven in de stad, over overleven in de stad, is een prachtig document geschreven. Het verhaal van Ciske de Rat, aanvankelijk (1942) als boek door Piet Bakker, later als film (1984) met de kleine, schattig-ontroerende Danny de Munck als kleine Ciske en als musical twee decennia later met dezelfde Danny maar dan als volwassen Cis en een nieuwe kleine Ciske, is bij velen bekend. “Had ik moar iemand om van te hauwe, twee sachte armen om me heen, die mijn altijd bescherme souwe, ik voel me so verdomd alleen” – de essentie is duidelijk: een eenzaam jongetje in de grote stad. Het verhaal speelt zich in de oorspronkelijke romans van Bakker af in een Amsterdamse volksbuurt, zo tussen 1920 en 1930.

De eerste verfilming (1955), met Peter Brusse als schoolmeester, blijft een stuk dichter bij het  oorspronkelijke verhaal. Hier wordt duidelijk waaraan Ciske zijn bijnaam “de rat” te danken heeft: aan zijn muisachtig voorkomen, zijn schichtige blik en zijn geringe vermogen om sympathie te wekken. Als jongetje in de grote stad is hij ongewenst. Zijn vader zit op zee, waarmee hij zowel zijn slechte huwelijk als zijn verantwoordelijkheid als vader ontvlucht. Zijn moeder is van bedenkelijk allooi en ziet haar kinderen, met name Ciske, als een vloek. De jongen ontvlucht de bedompte woning zo vaak hij kan en zoekt afleiding op straat, waar kleine criminaliteit, vermengd met ergernis van volwassenen, al gauw uitgroeit tot een beginnend strafblad. Hij heeft te maken met de Pro Juventute, een particuliere organisatie die zich inzetten tegen jeugdcriminaliteit en voor kinderbescherming (deze is waarschijnlijk nog het best te vergelijken met Bureau Halt). Alle verantwoordelijke volwassenen (de schoolmeester, de kinderrechter, de rechercheur van politie) zien dat het niet zozeer Ciske zelf, maar zijn omgeving – met name zijn moeder die hem `s avonds in het café laat werken of bijna dagelijks in het kolenhok stopt – is die schadelijk is. Helaas net niet schadelijk genoeg om hem uit huis te plaatsen, ook al doet schoolmeester Bruis een vergeefse poging om de vader zijn verantwoordelijkheid te laten nemen. Tot het te laat is, door een fataal ongeluk vermoordt Cis zijn moeder.

De trilogie van Piet Bakker verhaalt op romantische en sublieme wijze de sfeer van de jaren twintig, dertig in Amsterdam. De armoede en ruwheid op straat en de pogingen van de zwaar onderbetaalde onderwijzers om de kinderen iets van beschaving bij te brengen. Meester Bruis heeft 48 leerlingen in zijn klas. In zijn vrije tijd studeert hij voor zijn middelbare acte Frans, welke leidt tot een beter salaris: eindelijk kan hij trouwen met zijn Suus. In zijn klas de kinderen van de arme klasse: met kapotte schoenen, `vlooienpikken’, groezelige nekjes. Van huis uit krijgen ze niet veel mee. De ouders zijn vaak laag- of niet geschoold. Zeer vaak speelt alcohol een ongunstige rol.

Ook deze schoolmeester krijgt met agressie van ouders te maken: “De meeste schoolmeesters hebben zoiets wel eens bij de hand gehad. Conflicten met verongelijkte ouders worden wel eens, in letterlijke zin, op straat uitgevochten. Het is het alleronaangenaamste, dat je kan gebeuren. Op straat zijn dergelijke rechtzoekenden altijd in het voordeel. Zij kunnen zich dingen permitteren, waar je als onderwijzer niet aan kunt denken, enfin, `t is een afschuwelijke situatie.” (2) Het leven van de schoolmeesters, die met hun karig salaris het volk moeten verheffen: “Tot die extase moet hij zich dan opwerken op een Maandagmorgen als het regent en de school zo klam is en zo zurig stinkt van al die natte jasjes en dasjes, die in de gang hangen te verdampen. Het kind met natte voeten en misschien een lege maag moet dan denken: `O, o, wat vereenvoudigt meneer toch enig breuken.’” (3)

De klasseverschillen worden pas echt duidelijk als meester Bruis een betere aanstelling aanvaardt op een `kale neten schooltje’(4), een privéschooltje waar ook Frans gegeven wordt, aan kinderen van aanmerkelijk betere sociale komaf. Een klas met maximaal twintig leerlingen, kleine klas, gezonde lokalen en licht en lucht. Hij vraagt zich af: “Zou het wezenlijk verschil maken, of een Jordaanse vroedvrouw je in de Tuindwarsstraat het eerste levenslicht toont, dan wel of de première plaats vindt in een villa bij het Vondelpark?” (…) “Ik krijg hier geen briefjes `als dat Dirk vandaag niet op school kan komen als dat zijn schoenen naar de schoenmaker zijn’.(5)

En verderop in het boek observeert hij de verschillen in het milieu waarin een drukke jongen opgroeit: “Zijn deze jongens nu beter? Ach, wel nee, ze zijn alleen beter behandeld. Van thuis hebben ze iets van burgerdeugd en beschaving mee gekregen. Als zo’n Freddie in een bedstee in de Tuindwarsstraat geboren was, zou zijn vindingrijke, woelige natuur minder geapprecieerd zijn, want in een kamer-keukenwoning komt een jongen met fantasie en ondernemingsgeest wegens gebrek aan levensruimte spoedig in botsing met zijn omgeving; zijn moeder trapt hem de deur uit en hij gaat fikkies maken in brievenbussen, appelen gappen op de markt; hij komt in (…) kattekroegjes en andere couveuses voor de beginnende misdaad. Dan zou zo’n Freddie een lieve kans maken om te verdrinken, eer hij water gezien had. (…) Nu maken Freddie’s ouders van zijn onstuimigheid een deugd en van hun zoontje een flink, levendig jog. Hij speelt met zijn vriendjes in een tuin, waar geen dronken olifant iets kan beschadigen (…) Loopt het eens de spuigaten uit, dan krijgt hij een gezond pak op zijn ziel, maar hij ziet toch al gauw weer begrijpende, glimlachende gezichten om zich heen van mensen, die van hem houden en hem wel een roerig, maar toch een aardig ventje vinden.(6)

De karakterschetsen van de jaren twintig en dertig lijken een typering van een voorbije tijd, maar juist in grote steden als Amsterdam kun je je afvragen of er werkelijk iets veranderd is, of dat de oude tijden weergekeerd zijn. Nu dragen de jongens uit de lagere sociale klasse immers wéér petten, al houden ze deze nu vaak op in de klas en hebben ze een rebelse betekenis. En ook nu zijn er veel kinderen in de armere wijken die hun namiddagen en avonden op straat doorbrengen, omdat er thuis niet veel ruimte is. Nog afgezien van de fysieke ruimte gaat dit ook over de persoonlijke ruimte, het inlevingsvermogen van de ouders. Of je drukke gedrag gezien wordt als een persoonlijke aanval, als `treiteren’,  of dat er begripvol op gereageerd wordt. Voor veel jongens (vooral voor jongens) is er in beide opzichten weinig ruimte in de armere buurten. Zij gaan de straat op, waar zij net als in de tijd van Ciske, de eerste schreden op het slechte pad zetten. Hun rijkere leeftijdgenoten leven vlakbij, maar in een andere wereld. Weliswaar hebben ook zij in de stad niet veel ruimte, maar ze hebben een eigen kamer met tv en spelcomputer en worden van clubjes naar sporten gebracht. Hun ruimte is beperkt maar veilig, tegenover de grotere ruimte van de onveilige straten van hun makkers aan de andere kant van de A10.

Juist in de steden ook, is het contrast zo groot omdat de middengroep grotendeels ontbreekt. De bevolking van Centrum en Zuid leven gunstiger dan gemiddeld, de bevolking van Zuid-Oost, Noord en West zitten onder het gemiddelde. En het zijn juist de autochtone gezinnen met kinderen die de stad verlaten: naar Almere, de Haarlemmermeer, Amstelveen.(7)  Wat overblijft maakt het contrast tussen (kans)rijk en (kans)arm des te duidelijker.

Het grootste verschil tussen kansrijk en kansarm is het opgroeien in armoede. Met name in de grote steden zijn er meer, met name allochtone, huishoudens die onder de armoedegrens leven – al is die armoede door de betere woningbouw, medische zorg, hygiëne  en het vangnet van uitkeringen en voorzieningen wellicht minder iets schrijnend dan een eeuw geleden. In Amsterdam, Rotterdam en Den Haag lag het aandeel arme gezinnen in 2008 boven de 10% (tegen 7,7% landelijk gemiddeld).(8)  Met name bij allochtonen komt armoede ook meerdere generaties lang voor, dat is vaker het geval dan bij autochtonen. Dat, terwijl kinderen van allochtonen met een hoog inkomen net zo vaak als kinderen van autochtonen met een hoog inkomen erin slagen om zelf ook een hoog inkomen te hebben. Kinderen van arme allochtonen zijn dus kansarmer dan kinderen van arme autochtonen, armoede wordt bij hen vaker van generatie op generatie doorgegeven.(9)

De vader van Ciske vatte zijn taak als ouder niet al te ernstig op en was meestal afwezig. Vlak voor de moord op Ciske’s moeder was er sprake van echtscheiding. Ciske’s moeder zorgde mede voor het gezinsinkomen door `s avonds in een café te werken. Ook nu groeien veel kinderen uit eenoudergezinnen in armoede op. Tegenwoordig heeft een groot deel van de eenoudergezinnen (meestal gezinnen met alleenstaande moeders) een inkomen uit de bijstand. Deze gezinnen zijn zes keer zo vaak arm en vijf keer zo vaak langdurig arm als gezinnen met samenwonende of getrouwde ouders. Ook slagen de alleenstaande moeders er minder vaak in dan andere moeders om uit de situatie van armoede te ontkomen. Het inkomensverschil is in de afgelopen jaren zelfs groter geworden: de koopkracht van alleenstaande moeders is gedaald van 68% naar 62% ten opzichte van de samenwonende moeders, met name omdat de laatste groep meer is gaan werken en verdienen.(10)

Schrijver Piet Bakker gaf met zijn beschouwingen vanuit de hoofdfiguur meester Bruis, blijk van inzicht in de rol van de leefomgeving op de opvoeding en de kansen van kinderen in de grote stad. Ook nu is er aandacht voor de invloed van armoede op de opvoeding. Zo blijkt uit onderzoek dat  arme kinderen veel minder vaak lid zijn van een vereniging, ze gaan minder vaak op vakantie en maken minder uitstapjes dan hun meer fortuinlijke leeftijdgenoten. Er is vaak geen geld voor nieuwe kleren, verjaardagscadeautjes, internet, elke dag een warme maaltijd, fruit of (extra) schoolkosten. Hoe langer de armoede duurt, hoe angstiger, ongelukkiger en afhankelijker kinderen zich voelen. Met name kinderen uit eenoudergezinnen en kinderen van niet-westerse afkomst hebben veel kans op nadelige gevolgen van armoede op hun welbevinden. Kinderen gaan daar verschillend mee om. Sommige kinderen hebben een bijbaantje of sparen, maar anderen proberen om de problemen voor hun vriendjes te verbergen en praten er met hun ouders ook niet over.

Armoede hoeft niet altijd tot problemen bij opgroeien en opvoeden te leiden, vooral niet als het gaat om kortdurende armoede of zuiver financiële problemen van tijdelijke aard. Maar vaak is er sprake van een opeenstapeling van problemen en langdurige armoede met grote gevolgen: een lage opleiding van de ouders, psychische problemen, stress en huiselijk geweld.   Deze factoren hebben invloed op de ontwikkeling van kinderen, zoals de ontwikkeling van hun intelligentie, het krijgen van psychische problemen, gedragsproblemen, het ontwikkelen van criminaliteit of het meemaken van kindermishandeling. In arme groepen komen deze problemen vaak gestapeld voor, met aanzienlijke gevolgen voor de kinderen. De kans op psychosociale problemen als gevolg van armoede is het grootst bij kinderen onder de 12 jaar, maar armoede vergroot ook het risico op het niet halen van een startkwalificatie op minimaal MBO-2 niveau, zelfs wanneer de betreffende jongere goed mee kan komen op school. Ook het opleidingsniveau van de ouders speelt een grote rol bij voortijdig schoolverlaten: met elk extra jaar opleiding van de ouders neemt die kans met 7 procent af.  Tenslotte heeft armoede een nadelige invloed op de gezondheid van zowel de ouders als de kinderen in de gezinnen: roken, stress en overgewicht komen vaker voor. Het verschil in  levensverwachting tussen laag- en hoogopgeleide mannen is 6,9 jaar in het voordeel van de hoogopgeleiden.(11)

Er wordt in de laatste jaren in toenemende mate onderzoek gedaan naar de invloed van armoede op opvoeden en opgroeien. Toch blijft mijn indruk dat in het nationale armoedebeleid de aandacht beperkt blijft tot pogingen om de arbeidsparticipatie te vergroten door de sociale zekerheidsvoorzieningen te beperken.(12) Terwijl Nederland enerzijds gekenmerkt wordt door een wirwar van initiatieven en projecten die kinderen willen ondersteunen, ontbreekt anderzijds een algemene focus of doelstelling, gericht op het beperken van de schade door armoede op kinderen en de toekomst van de kinderen. Dat heeft alles te maken met de ontwikkelingen in het jeugdbeleid van de afgelopen decennia, waarin speerpunten en specifieke problemen steeds belangrijker zijn geworden en algemene of fundamentele visies op kinderen, opvoeden en opgroeien uit beeld verdwenen. Ik zou ervoor willen pleiten om de fundamentele vragen en doelstellingen terug te brengen in het nationale beleid. Eén van de vragen is dan: hoe kunnen we de verworven kennis over schade en problemen die armoede bij kinderen veroorzaken, bestrijden en voorkomen? Aan de ene kant blijft aandacht nodig voor de toekomst van allochtone kinderen, die op zoveel verschillende manieren in de problemen zijn en komen. Aan de andere kant is het belangrijk je af te vragen in hoeverre hun positie en kansen nu werkelijk verschillen van die van de onderklasse waar de kinderen uit klas van meester Bruis destijds deel van uitmaakten. Daarnaast is essentieel om de (ook autochtone) kinderen uit eenoudergezinnen te ondersteunen.

Ten slotte speelt de kwaliteit van de leefomgeving een rol. Zoals Bakker via schoolmeester Bruis beschrijft: “Na schooltijd ben ik eens door de straat van de Rat gelopen. Misschien wel uit aanstellerigere behoefte om mij eens erg ongelukkig te voelen. Hoge huurkazernes, een grauwe hemelspleet, plassen bij de goten, opgeschoten jongens blerrend in een portiek en dit alles in de grijze schemer van de motregen. Als kinderen opgroeien in een omgeving zonder één fleurig ding – mijn God, al is het maar een enkele boom, een meisje met een schoon schortje, een blij glimlachend mens! – ja welke eisen mogen we dan aan dat kind stellen?”(13)

Dit voorjaar stond in de Volkskrant een artikel waarin het belang van groen op het welbevinden van mensen benadrukt werd: “Stadsmens, gestresste mens.”(14) De  grotestad-bewoner, aldus het artikel, heeft anderhalf keer vaker hartfalen of astma, leeft een jaar korter en heeft vaker last van depressie of angststoornissen dan landelijk gemiddeld. Opgroeien in de stad leidt bij kinderen tot het risico te ontsporen. Hoewel we gezien het bovenstaande de mogelijke connectie met armoede niet uit moeten sluiten, stelt het artikel dat experimenten waarbij gestresste mensen in contact werden gebracht met natuur sterke verbeteringen lieten zien: de bloeddruk daalde en stresshormonen verdwenen. Maar ook hier geldt weer: juist voor kinderen in grote steden die in armoede opgroeien, zijn uitstapjes en vakantie en dus de kans op weldadig groen, zeldzaam. En als de minister in de aandachtwijken een park laat aanleggen waar vervolgens groepen jongelui staan te dealen, wordt het park voor de jongere kinderen niet de veilige groene oase waar zo’n genezende werking vanuit gaat.

Ook nu nog zijn er vele Ciskes, die opgroeien in grauwe straten, mishandeld worden, het huis ontvluchten,  geen geld hebben voor uitjes, vaak geen fatsoenlijke maaltijd in hun maag. Deze Ciskes groeien op in een eenoudergezin en/of  in een laag opgeleid gezin – dan heten ze vaak Delaney, Wesley of Lorenzo.(15) Maar vaak – en zeker in de grote steden als Amsterdam – heten ze Yusuf of Mohamed. En dan blijkt dat er sinds de tijd van Ciske eigenlijk weinig veranderd is, ook deze kinderen zijn de verschoppelingen van de grote stad en voelen zich vaak zó verdomd alleen.
Dit verhaal is ook gepubliceerd in het Liber Amicorum dat verscheen ter gelegenheid van de pensionering en het afscheid van Ton Notten, oktober 2011.

(1)A.L.T. Notten: Overleven in de stad. Inleiding tot sociale kwaliteit en urban education. Anterwerpen/Amsterdam: Garant 2004.  p.63

(2) Ciske de Rat p. 185

(3) Idem p.55

(4) Idem p.277

(5) Idem p.299

(6) Idem p.355

(7) Bron: O+S De Amsterdamse Leefsituatie 2011

(8) Dossier Armoede in Gezinnen – achtergronden – cijfers. Nederlands Jeugdinstituut 2011

(9) Idem

(10) Idem

(11) Dossier Armoede in Gezinnen – achtergronden – cijfers. Nederlands Jeugdinstituut 2011.

(12) Dossier Armoede in Gezinnen – overheidsbeleid. Nederlands Jeugdinstituut 2011.

(13)  Ciske de Rat p.16

(14) De Volkskrant 25-06-2011

(15) Zie De Volkskrant (24-06-2011): “Ouders van Kelly’s en Kimberly’s hebben het niet breed.”

Red onze jongens!

Op de ouderavond voor alle 2 VWO klassen van een grote scholengemeenschap in mijn woonplaats, vertelde de coördinator dat er in heel 2VWO van deze school 107 leerlingen zijn, waarvan 70 meisjes en 37 jongens. Volgens haar was dat niet zo problematisch, immers, een aantal decennia geleden, toen zij op school zat, `was dit omgekeerd en maakte ook toen niemand zich druk daarover.’ Gelach en herkenning van de ouders in de zaal. Maar is het echt zo onproblematisch, vroeg ik me af. Wat is er aan de hand?

Het is de laatste tijd in de mode om allerlei verschillen tussen jongens en meisjes te verklaren aan de hand van wetenschappelijke inzichten uit hersenonderzoek. Wij zijn ons brein, zeg maar.  Het brein van jongens ontwikkelt zich anders en trager dan dat van meisjes, zodat meisjes in de puberteit een voorsprong hebben op jongens. Het is dus logisch en een teken van geslaagde emancipatie dat meisjes nu een voorsprong hebben op jongens. Bovendien, zo wordt aangevuld vanuit pedagogische hoek, is het onderwijs de laatste decennia `gefeminiseerd’: er staan steeds meer vrouwen voor de klas die meisjesgedrag goedkeuren en drukker jongensgedrag afkeuren. De inhoud van het onderwijs is bovendien (daardoor?) ook vrouwelijker geworden, met meer nadruk op samenwerking en zelfstandig werken, zaken waar meisjes beter in zijn dan jongens. Jongens missen daarbij ook nog eens een mannelijk rolmodel, nu ze vanaf de kinderopvang tot en met het voortgezet onderwijs in een vrouwenwereld moeten leven. De laatste tijd groeit de roep om meer mannen in het onderwijs, maar onduidelijk is waar die mannen dan vandaan moeten komen. Op de pedagogische academies vormen de mannelijke studenten een zeer kleine minderheid, waarvan ook nog eens de helft voortijdig afhaakt.

De vraag is: zijn deze verklaringen afdoende, en zo ja, moeten we ze dan maar accepteren? Immers, een groot deel van de jongens die voorheen wèl het VWO haalden, haalt dat nu niet meer. Als beoogde kennissamenleving kunnen wij ons dat niet permitteren. Een generatie jongens komt nu niet uit de verf en dat is niet alleen op persoonlijk, maar ook op maatschappelijk en economisch niveau, doodzonde. Er moet daarom nog eens goed gekeken worden naar de factoren die in deze ontwikkeling een rol spelen.

Ten eerste wil ik de biologische verklaring van een paar kritische kanttekeningen voorzien. Een aantal decennia geleden was het erg in de mode om te kijken naar sociale bepaling als oorzaak voor de verschillen tussen jongens en meisjes. Jongens werden opgevoed om sterk en de baas te zijn, meisjes werden opgevoed om te zorgen. Alle verschillen tussen jongens en meisjes hadden volgens die opvatting hun oorzaak in de opvoeding. Dat moest anders: jongens moesten nu met poppen spelen en meisjes moesten in bomen klimmen.  Dit bleek maar tot op zekere hoogte te werken, de verschillen tussen jongens en meisjes bleken hardnekkiger dan gedacht. Nu is de opvatting helemaal naar de andere kant omgeslagen: alle verschillen worden nu toegeschreven aan de biologie, aan het brein. Maar ook nu schieten we hierin door: immers, de verschillen binnen de seksen zijn groter dan de verschillen tussen de seksen. Oftewel: binnen de groep jongens zijn de verschillen groter dan de gemiddelde verschillen tussen jongens en meisjes. En dus ook: binnen de groep meisjes zijn er grotere verschillen dan die tussen jongens en meisjes. Die verschillen worden nu veronachtzaamd: heel zachtaardige communicatieve jongens, of meisjes met een sterk ruimtelijk inzicht en een wiskundeknobbel, krijgen minder ruimte. Onlangs werd op grond van de biologische verschillen en het minder presteren van jongens, een pleidooi gehouden voor gescheiden onderwijs, maar dat houdt geen rekening met deze verschillen.
Het nadeel van biologische verklaringen is dat ze sociale processen maskeren of goedpraten. Sociale verschillen worden nu gelegitimeerd door biologische verschillen: het zit nu eenmaal in onze genen. De vele sociale factoren die een rol spelen in mannen- en vrouwengedrag, worden daardoor over het hoofd gezien, bevestigd, goedgepraat of zelfs versterkt. Want wat me wel opgevallen is, is dat de sociale definities van mannen en vrouwen in de afgelopen 30 jaar sterker verschillend en veel dwingender zijn geworden. Zelf kom ik uit de Pippi Langkous generatie: wij groeiden in de jaren 70 op met Pippi als rolmodel, sterk en zelfstandig. Emancipatie was nog geen scheldwoord, maar een legitiem doel. Wij droegen als meisjes tuinbroeken en speelden met zowel poppen als auto’s en vooral, wij klommen in bomen en stookten fikkie op een braakliggend landje. Dat zie ik bij de huidige kinderen anders: meisjes worden vanaf een jaar of drie helemaal bestookt met roze prinsessenattributen. Jongens moeten stoer zijn en piraat. Zelfs een babyzaak heeft al rompertjes in blauw met “stoer” erop en in roze met “lief”  erop. Al vanaf de wieg wordt het verschil dus al benadrukt. De wat stoerdere meisjes komen, ook op de basisschool, nog wel enigszins aan hun trekken, maar de wat lievere jongens worden al vanaf groep 1 door hun leeftijdgenootjes flink aangepakt (als de ouders al niet bang waren dat ze misschien niet flink genoeg waren) en het scheldwoord HOMO laat niets aan duidelijkheid te wensen over. Als je niet flink genoeg bent, ben je een mietje, een watje, een homo.  Ja, anno 2011.

De sociale druk op jongens en meisjesgedrag is dus veel sterker geworden. De biologische verschillen zijn hetzelfde gebleven. Jongens waren (gemiddeld dus, hè?) altijd al later in hun ontwikkeling dan meisjes, dat is echt niet van de laatste decennia. Toch konden ze altijd heel goed meekomen op het VWO. Waarom nu dan niet meer? Inderdaad, de feminisering van het onderwijs. Maar in het voortgezet onderwijs zijn wel degelijk mannelijke leerkrachten, terwijl in het vmbo, waar de jongens oververtegenwoordigd zijn, vooral mannelijke docenten werken. Waarom vallen er dan bij de overgang van de brugklas naar het VWO of de HAVO zoveel jongens naar beneden? Omdat ze minder goed zijn in samenwerking? Samenwerking, zelfstandig werken en een talige omgeving horen bij de ontwikkelingen in deze samenleving. Wij zijn een postmoderne dienstensamenleving geworden, gericht op overleg, kennis en dienstverlening. Ook samenwerking, overleg en communicatie zijn daarin belangrijk, dus ook in het onderwijs, dat jongeren voorbereidt op hun toekomst. Voor het onderwijs ligt er een taak om te zien of er iets aan de `taligheid’ gedaan kan worden. Maar als je kijkt naar beroemde taalkundigen, dan zijn dat… juist, mannen.

Door de snelle technologische ontwikkelingen is de samenleving meer gericht op inzicht en verwerking, en minder op vaststaande kennis. Toch is het vreemd dat jongens het dan niet juist heel goed doen. Immers, die zijn toch heel goed met techniek en computers? Jongensspeelgoed ligt veel meer in de voorbereidende sfeer dan al dat roze meisjespoppen en schattige diertjes gedoe, zou je zeggen. Om nog maar te zwijgen van alle kindermake-up, glitters en nagellak.

De leefwereld van jongens

Biologie, onderwijs, socialisatie en opvoeding spelen dus een rol. Maar ook de huidige leefwereld van jongeren, van jongens, biedt een paar aanknopingspunten. Ten eerste is het alcohol- en middelengebruik onder jongeren de afgelopen decennia enorm toegenomen, vooral onder, inderdaad, jongens. Deze trend is gesignaleerd en wordt nu vanuit de overheid met campagnes aangepakt. Dat heeft wel resultaat: het alcoholgebruik onder jongeren tot 16 jaar neemt in de laatste paar jaar weer iets af.  Toch heeft nog steeds 35% van de jongens in groep 8 van de basisschool ervaring met alcohol, tegen 22% van de meisjes (cijfers uit 2009, die jongens zijn dus nu 14). En hoewel volgens deze cijfers evenveel jongens als meisjes tussen de 12 en 16 jaar alcohol drinken (38% tegen 37%), is er wel verschil in dat alcoholgebruik: 12% van de jongens drinkt op een weekenddag meer dan 10 glazen, tegen 7% van de meisjes. Van de 16 jarige jongens geeft 58% aan wel eens dronken te zijn geweest, tegen 39% van de meisjes. Bij dergelijke aantallen is het wellicht nuttig eens te kijken naar een mogelijk verband met schoolprestaties van jongens.

Maar ik ben nog niet klaar. Als ik rond een uur of drie, als de scholen voor voortgezet onderwijs uitgaan, bij onze buurtsuper ben, zie ik ze komen. De jonge knullen met hun gelkapsels en glimmende jacks. In groepsverband drommen ze de supermarkt in, op zoek naar: energy drinks. Een snelle rondvraag bij de caissières bevestigt mijn vermoeden. Het zijn vooral de jongens die met meerdere blikjes energy drink de supermarkt verlaten. Iedere dag. Meerdere blikjes. Een blikje energiedrank bevat evenveel cafeïne (85 mg) als een kop sterke koffie. Gemiddeld dan, want er zijn ook merken die veel meer cafeïne bevatten (zoals het superstoere merk Monster met 150 mg ). Daarnaast bevatten energiedranken ook nog eens de stof guarana, dat verwant is aan cafeïne. Juist de 12-, 13-, 14-jarige jongens zijn fysiek nog lang niet zo groot en zwaar als volwassenen (en ook kleiner dan de meisjes, hoewel die dus veel minder energiedrank lijken te drinken). Per kilogram lichaamsgewicht komt de cafeïne in deze energiedranken dus extra hard aan (om nog maar te zwijgen van de enorme hoeveelheid suiker in de energiedranken, 100-150 gram per liter, en de gevolgen die dat heeft voor de bloedsuikerspiegel). De nadelen van energiedranken worden wel onderkend, zij het nog matig. Voor kinderen van 10-12 wordt een maximum van 1 blikje energiedrank per dag aanbevolen. Maar de invloed van deze dranken op jongens is bij mijn weten nog niet onderzocht. Toch zou je je moeten afvragen wat al deze cafeïne met de toch al stuiterende jongenslijven en -breinen doet. Bovengenoemde scholengemeenschap heeft in ieder geval de energiedranken op school verboden. Maar wat er na schooltijd gebeurt, daar heeft de school geen invloed op.

Dan de indrukken. Kijk voor de aardigheid eens naar de aankondiging van het jeugdjournaal en probeer de flitsen en beeldwisselingen eens te tellen. Inderdaad, niet te doen. Toch is het speciaal bedoeld voor kinderen. De kinderen en jongeren van nu leven in een wereld waarin zeer veel indrukken op ze afkomen. Tel daarbij op het zogenaamde multitasken en de voortdurende aanwezigheid van allerlei soorten media, en je begrijpt dat ook hier een probleem kan zijn. Het is heel goed mogelijk dat deze veelheid aan indrukken juist moeilijker is voor jongens. Uit, jawel, hersenonderzoek blijkt dat juist jongens kwetsbaarder zijn voor hersenbeschadiging en ontwikkelingsstoornissen.

Ten slotte de jeugdcultuur. Rondvraag onder jongens in mijn omgeving –uiteraard is dit geen voorbeeld van een gedegen opgezet representatief onderzoek!- levert steevast hetzelfde beeld op: voor meisjes is het nog wel oké om goed op te letten in de klas en je huiswerk te maken, maar onder jongens wordt dit niet `cool’ gevonden. Juist in de leeftijd 12-15 jaar is de groepsdruk en de groepsverwachting van grote invloed onder jongeren.

De huidige populariteit van de trend om alle verschillen tussen jongens en meisjes op te hangen aan verschillen in hersenontwikkeling, is wel te begrijpen. Het geeft een mooie verklaring en we hoeven verder niets te doen, het is immers door de natuur bepaald? In mijn bovenstaande betoog heb ik hopelijk laten zien dat er wel meer aan de hand is, dat er zeer waarschijnlijk niet sprake is van één oorzaak en één ontwikkeling. En dat er in de huidige leefwereld van jongens een paar aanknopingspunten zijn voor verder onderzoek en vooral, grote zorg.

 

Voor meer informatie:

Asha ten Broeke schreef een geweldig boek over de al dan niet vermeende verschillen tussen mannen en vrouwen: “Het idee M/V”
Een mooi maar dubieus voorbeeld van het taliger worden van het onderwijs, is te vinden in het HAVO examen wiskunde. let wel: wiskunde, van 2011. Vraag 1 gaat over het brandstofverbruik van auto’s, vraag 2 gaat over taartpunten die verdeeld moeten worden. Vraag 3 gaat over het uitsterven van onregelmatige werkwoorden in het Engels en vraag 4 heeft als titel: “zijn meisjes beter in taal?”.  (met dank aan Ingrid Glorie, docent)
Voor cijfers over alcoholgebruik zie het Trimbos Instituut: http://www.trimbos.nl/~/media/Themas/7_Feiten_Cijfers_Beleid/NDM%20Jaarbericht%202010.ashx#page=159

Voor informatie over cafeïne in energiedrank, zie: http://gogoguarana.wordpress.com/2010/02/18/onderzoek-gevaren-van-cafeine-in-energiedrankjes/  en wikipedia: http://nl.wikipedia.org/wiki/Energiedrank#cite_note-Oivo-Verbod-0

Verschil in kwetsbaarheid jongens en meisjes: N.J. Nicolai en Th. J. Heeren: Genderspecificiteit in de psychiatrie. http://www.empty-memories.nl/nicolai/genderspecifiteit.pdf
voorbeeld van de grotere kwetsbaarheid van jongens is ook te vinden in de Emancipatiemonitor 2010 van het CBS (pagina 39): “In vergelijking met het gewone basisonderwijs zitten op scholen voor speciaal onderwijs relatief weinig meisjes. In 2009/’10 was een derde van de leerlingen in het speciaal basisonderwijs van het vrouwelijk geslacht, terwijl het basisonderwijs ongeveer evenveel meisjes als jongens telde. Op de speciale scholen was iets minder dan een derde van de leerlingen een meisje.

Onder de zorgleerlingen in het primair onderwijs vertonen veel meer jongens dan meisjes gedrags- en concentratiestoornissen. Ook in het basisonderwijs worden jongens beduidend zwakker dan meisjes beoordeeld op werkhouding en sociaal gedrag (Driessen en Van Langen 2010). Vanaf schooljaar 2003/’04 zijn de speciale scholen op basis van handicaps of stoornissen van de leerlingen onderverdeeld in vier clusters (cbs 2010a). Jongens zijn vooral oververtegenwoordigd in cluster 4: ernstige ontwikkelingsstoornissen. In 2009/’10 was 80% van de leerlingen in dit cluster van het mannelijk geslacht.”

Reacties op dit blog:

Dick van der Wateren, 27 januar 2012:

Goed stuk, dat begin kan zijn van nieuwe aanpak om jongens beter te betrekken bij de lessen. Als je een op een met jongens praat, is mijn ervaring, willen ze heel graag leren en beter presteren. Het gaat o.a. Om het vinden van de juiste toon. Ik denk dat een vrouwelijke docent dat net zo goed kan als een man. Belangrijk is datwe kinderen serieus nemen en naar ze luisteren. Niet meteen met ons oordeel of advies komen. Ook helpt het om een drukke jongen (of meisje) even naar buiten te laten gaan om een rondje te lopen. Geen straf dus, maar even bewegen en een luchtje scheppen. Zolang een schooldag niet begint met een uur sporten voor alle kinderen, kan dat genoeg zijn om er weer even tegen aan te kunnen.

Mieke van Stigt, 28 januari 2012:

Dank je wel voor je mooi reactie! Inderdaad is beweging heel belangrijk, wat dat betreft sluit het huidige onderwijs echt onvoldoende aan bij wat jonge mensen nodig hebben om goed te kunnen leren. Ook is vaak de ventilatie erg beroerd, zodat het scheppen van een luchtje echt heilzaam kan zijn. Daarnaast ben ik het met je eens dat een goed contact, waarin de docent de leerling serieus neemt, essentieel is. De leerling kan meestal heel goed aangeven wat hij of zij nodig heeft!
Inderdaad denk ik dat vrouwelijke docenten net zo goed overweg kunnen met jongens als mannelijke docenten. Enerzijds moeten docenten zich bewust zijn van de verschillen tussen jongens en meisjes, anderzijds moeten ze ook weten dat júist het feit dat de samenleving (en daarmee de docent en de leerlingen zelf ook) zo’n verschil maakt tussen jongens en meisjes, de problemen vergroot!

Jaap Haasnoot:

Ja, dan zijn we toch weer terug bij Rust, Reinheid en Regelmaat ( http://www.optimalegezondheid.com/rust-reinheid-en-regelmaat/ ), en dat is waarschijnlijk terecht. Wat ik interessant vind is wat we met de waarnemingen uit de blog kunnen doen om ons onderwijs waaronder ook de onderwijsomgeving (sociaal, fysiek, mentaal) zo in te richten dat deze optimale voedingsbodem voor leren biedt. Er zijn genoeg aangrijpingspunten lijkt mij zo.

(Dit blog verscheen in november 2011, de reacties heb ik meegenomen)