Roddelen, pesten en labelen – Hoe pesten in de klas en uitsluiting in de samenleving op dezelfde mechanismen berusten

Fel staan verschillende groepen Nederlanders tegenover elkaar. Socioloog Norbert Elias leert ons dat dit veel te maken heeft met machtsverhoudingen, spanningen en geschiedenis.

Het vluchtelingendebat, de zwartepietdiscussie, de ‘angst voor de Islam’ – het zijn drie heel verschillende onderwerpen met een belangrijke overeenkomst: ze hebben de Nederlandse bevolking flink verdeeld. Waar velen zich bedreigd voelen door een invasie van `goudzoekers’ en `testosteronbommen’, staat een ander aanzienlijk deel van de bevolking eten te koken voor vluchtelingen of kleding in te zamelen.

Wat vooral opmerkelijk is, is dat in deze kwesties de autochtone bevolking tegenover elkaar is komen te staan, of verdeeld is geraakt. Het is steeds minder duidelijk wie “wij” zijn en wie “zij” zijn. Dat leidt tot problemen van identiteit en identificatie. Wie zijn wij als Nederlanders? Wat is onze identiteit? Zijn wij echt tolerant of vinden we dat iedereen die tegen Zwarte Piet is moet oprotten naar zijn eigen nikkerland?

Vragen van identiteit (wie zijn wij?) en identificatie (bij wil hoor ik en wie horen bij ons?) laten zien waar de huidige pijn zit, zowel bij autochtone als bij allochtone Nederlanders. De scheidslijn is tegelijk achterhaald én actueler dan ooit. Om dit te begrijpen, moeten we identiteit en identificatie niet langer als een gegeven zien, maar als een proces.

De gevestigden en de buitenstaanders

In zijn studie De Gevestigden en de Buitenstaanders (1976), beschreef en analyseerde de socioloog Norbert Elias, samen met assistent J.L. Scotson, de spanningen en machtsverhoudingen tussen bewoners van twee arbeiderswijken in een plaatsje in Groot-Brittannië. Belangrijk om te weten is dat de bewoners in sociaal-economisch, religieus én etnisch opzicht volstrekt identiek waren. Toch slaagden de bewoners van de ene wijk erin zichzelf neer te zetten als deugdzaam, superieur, fatsoenlijk en de bewoners van de andere wijk als inferieur, onfatsoenlijk en crimineel. De “buitenstaanders” werden gestigmatiseerd naar hun slechtste voorbeelden, terwijl de “gevestigden”, de groep met de meeste macht, zichzelf identificeerden met de beste voorbeelden uit de eigen groep en dat beeld ook wisten te laten domineren.  Hoe deden ze dat? Wat was hun machtsbron, op basis waarvan zij ook de definities over de eigen groep en de andere konden bepalen?

Het bleek dat de bewoners van de “gevestigde” wijk elkaar al generatieslang kenden, terwijl de nieuwkomers geen gemeenschappelijke geschiedenis en geen onderlinge banden hadden. De gevestigden beschikten over een sterk netwerk van onderlinge contacten en ontmoetingsplaatsen. En op al die plekken werd met elkaar over de eigen groep en over de `anderen’ gepraat. Roddelen bleek een sociaal machtsmiddel van jewelste. Daarbij ging het niet alleen over de inhoud van de roddel, maar ook over de vraag wie de roddelmacht had: wie mochten meepraten, wie werden bevestigd, wie werden weggehoond. En juist deze vertrouwdheid en deze roddels zorgden voor saamhorigheid in de ene groep, terwijl de andere juist niet over een dergelijke gemeenschappelijkheid beschikten. Zij stonden individueel tegenover een grote macht aan opvattingen en konden weinig tot niets inbrengen tegen de negatieve beeldvorming. En vaak ging het onderhuids, was de emotionele weerstand wel voelbaar, maar niet eens expliciet.

Pesten in het groot en pesten in het klein

Dit is eigenlijk precies wat er in een pestende klas gebeurt, stelde ik in mijn boek Alles over Pesten. In het proefschrift van antropologe Suzanne Kuik beschrijft zij de processen van volwassenwording in groep 6 en groep 8 van dezelfde klas, over een langere periode dus. Maar in het geval van deze klas ging het om een pestende groep met een zeer negatieve sfeer. Op die manier deed ze onbedoeld, wellicht ongeweten, veldonderzoek naar pesten binnen een groep.

Duidelijk werd hoe het pesten, het sociaal `besmetten’, het buitensluiten, verpakt werd in roddels en de manier waarop gepraat werd over de leiders van de groep en over degenen die eruit lagen. Een belangrijk aspect is dat hierbij steeds gebruik gemaakt werd of verwezen werd naar algemeen aanvaarde maatschappelijke normen. Zo was het populaire, dikke meisje `helemaal zichzelf’ (norm: authentiek zijn), terwijl het andere dikke kind het `helemaal aan zichzelf te danken had’ (norm: slank zijn is je eigen verantwoordelijkheid). Lange tijd is gedacht dat vooral degenen gepest worden die niet voldoen aan de normen van de groep. Hier werd duidelijk dat het buitensluiten voorafging aan het verwijzen naar de norm. Het ging vooral om de vraag: wie hebben de macht om zichzelf positief te labelen, en de ander negatief? En waarom doen ze dat?

Het negatief labelen is niet los te zien van de spanning in de groep en het zoeken naar macht en saamhorigheid. Juist de pestende klas had te maken met een emotioneel, en later ook fysiek, afwezige leerkracht. En met een directie die de klas als onmogelijk bestempelde. Het negatieve gedrag werd niet gecorrigeerd en ook niet in een positieve richting omgebogen. De kinderen waren aan elkaar overgeleverd. De spanningen kanaliseerden zich naar de bliksemafleider, de zondebokken. Zo konden de machthebbers zich `goed’ voelen. Maar ook voor de machtige groep gaf het spanningen: als je niet meedeed werd je gestraft of gecorrigeerd, of liep je het risico zelf buitengesloten te worden. Alle aandacht ging daarom naar het groepsproces, en de klas bleef een onveilige klas, met opmerkelijk weinig echte vriendschappen.

Labelen

Wat heeft pesten in de klas met sociale uitsluiting in de samenleving te maken? Elias en Kuik lieten zien dat het steeds gaat om dezelfde mechanismen: die van macht en labeling. En dat het dus vooral draait om de vraag wie de definitiemacht hebben. De machtigen identificeren zich met de hoogste maatschappelijke normen, en definiëren de ander(en) juist naar de slechtste normen. Hun definitiemacht reikt ver: degenen die het onderwerp zijn van negatieve labeling staan daar tamelijk machteloos tegenover: het ontbreekt hun aan een vergelijkbaar netwerk met positieve labeling en juist omdat ze die algemene normen aanvaarden, hebben ze er weinig tegenin te brengen. Ze gaan er uiteindelijk vaak zelf in geloven.

Elias leert ons bovendien, dat de labeling weinig te maken heeft met de kenmerken van de groepen. Tussen twee volstrekt gelijke groepen ontstond immers een diametrale beeldvorming. Dat is aanleiding om de rechtvaardigingen in de beeldvorming op zijn minst met enige reserve te bekijken. Zoals de verwijzing naar religie (`de Islam’ als verkrachtingscultuur, waarbij het misbruik in de Katholieke Kerk niet eens als relevant wordt gezien), naar ras, sekse of klasse. Het gaat dus om  selectieve labeling. De meerderheid kwalificeert zich met de beste voorbeelden terwijl de andere groep daar lijnrecht tegenover wordt geplaatst. In de woorden van Rutte naar aanleiding van de verkrachtingen in Keulen: `De nieuwkomers moet duidelijk worden gemaakt wat onze normen en waarden zijn’ – alsof alle nieuwkomers verkrachters zijn, alsof de westerse cultuur totaal gevrijwaard is van verkrachting. Overigens bleek dat het in Keulen in meerderheid ging om georganiseerde straatroof door groepen uit Marokko en Algerije. Niet om vluchtelingen. De gebeurtenissen werden vooral aangegrepen om spanningen rond de komst van vluchtelingen te kanaliseren. Daarbij buitelen de definities over elkaar: zijn de vluchtelingen `gelukzoekers’, `testosteronbommen’ die `onze dochters’ bedreigen, of gaat het om mensen zoals wij, maar dan met grote pech, in grote nood, op zoek naar veiligheid?

Spanningen zelf spelen een grote rol. In de studie van Elias gaat het om een arbeiderswijk, waarvan de bewoners zelf relatief laag op de sociale ladder staan, met alle spanningen van dien: keihard werken onder een militante baas, of (dreigende) werkloosheid en algemeen een laag inkomen. De negatieve roddels over de buitenstaanders gaf aan de gevestigden een positieve, superieure identiteit. In de klas van Kuik ging het om een pestende klas, waarbij noch de leerkracht, noch de schoolleiding geneigd was in te grijpen. Maar door de leerplicht zijn de kinderen elke dag weer tot elkaar veroordeeld. Spanningen zelf leiden tot het zoeken naar hiërarchie, naar een gemeenschappelijk gevoel van positieve identiteit, desnoods via een zondebok. De processen van in- en uitsluiting zijn niet te begrijpen zonder kennis van de context.

En ten slotte is het belangrijk om te zien dat het gaat om historische processen van machtsvorming, identificaties en identiteit. De geschiedenis doet ertoe: of je al generaties lang deel uitmaakt van een witte `superieure’ cultuur of al generatieslang de pijn voelt van de geschiedenis van slavernij én van de ontkenning of -erger- de rechtvaardiging ervan. Maar ook dat de dynamiek aan het veranderen is. We staan niet meer -voor zover dat ooit zo was- diametraal tegenover elkaar, maar er is sprake van emancipatie van de onderdrukte groepen, toenemende macht, toenemende onderlinge identificaties en polarisering tussen steeds andere groepen. Het wordt bovendien duidelijk dat deze processen zélf óók niet van alle tijden zijn, maar kenmerkend zijn voor een samenleving, of een klas, die onder zware druk staat.

Pestende klas

Geschiedenis, spanningen en een gebrek aan positief leiderschap dus. Het maakt een groot verschil – los van de verdere gecompliceerde gebeurtenissen- of Angela Merkel over de Duitse opvang van vluchtelingen zegt `wir schaffen das’ of dat Rutte zegt dat we de ‘stroom moeten indammen’.

Elias beschrijft de fase die volgt op het treffen van de gevestigden en de buitenstaanders, namelijk het moment dat de buitenstaanders, vaak de tweede generatie, zich gaan organiseren. Er ontstaat ook onder die groep een grotere sociale cohesie, die evenwel nieuwe spanningen met zich meebrengt. Sommigen ontwikkelen een eigen gevoel van superioriteit tegenover de gevestigden en komen in opstand tegen de negatieve stereotypering. Sommigen door te willen bewijzen dat ze in  hun groep ‘heus niet allemaal zo zijn’ en daarmee aanspraak te maken op identificatie met de gevestigden, anderen door juist het misdadige gedrag te vertonen waarvan ze beschuldigd worden – hun manier om wraak te nemen.

De gevestigden reageren hierop  met intensivering van de roddels, van de negatieve kwalificaties. Aanrandingen door ‘buitenlanders’ krijgen steevast meer aandacht dan die door een eigen machtsinstituut (de kerk). Een gewelddadige aanslag door een witte man wordt psychologisch geduid (Breivik die 69 jongeren op een socialistisch zomerkamp doodschoot, Lubitz die een vliegtuig liet neerstorten) terwijl aanslagen door mannen met een moslimachtergrond automatisch onder het internationaal terrorisme wordt geschaard. Het ‘zie je wel’ klinkt aan alle kanten.

Nieuwe identiteiten

Maar de scheidslijnen vervagen. Ook onder de `gevestigden’ klinken andere geluiden. En de emancipatie van de vaak tweede of derde generatie nieuwkomers betekent dat zij op hogere posities komen, meer te vertellen krijgen en samenwerken met gevestigden. Er komen gemengde huwelijken en gemengde kinderen. Identiteiten zijn veel minder eenduidig, en ook identificaties worden minder vanzelfsprekend. De journaliste Nadia Ezzeroili zet in een column een punt achter haar pogingen om zich Nederlander te vinden. De reacties zijn overweldigend, maar ook gemengd. Naast de voorspelbare `doe niet zielig want het is je eigen keus’ en de verwachte scheldpartijen zijn er ook veel witte Nederlanders die haar beschrijvingen herkennen, en zich schamen. De gekwetste groep is niet altijd blij met de steun van de gevestigden, het -terechte- verwijt is dat er naar de witte man of vrouw eerder wordt geluisterd naar iets wat zij al jaren roepen, of dat de witte mens goede sier maakt met het leed van de ander.

Maar wat we vooral uit het bovenstaande leren is dat we de ontwikkelingen steeds moeten bekijken vanuit de context van machtsverhoudingen en spanningen. Zo zie je dat de groep Nederlanders zich `zorgen’ maakt over vluchtelingen, vaak zelf in de hoek zit waar de economie de zwaarste klappen uitdeelt. Handige politici voorzien deze groep van een superieure identiteit, ten koste van een nog minder machtige groep. Andere lokale machthebbers maken juist gebruik van negatieve labeling van deze `buitenstaanders’ om ze weg te zetten als onredelijk en agressief, terwijl ze weinig oog hebben voor hun noden en hun bezorgdheden. De media op hun beurt haken hier gretig op in door het vuur steeds van nieuwe brandstof te voorzien, want dat is goed voor hun lezersaantallen en omzet. En politici benadrukken dat het door de asielzoekers komt dat er geen huurhuizen zijn en niet door hun eigen beleid. Of dat het de asielzoekers te doen is om gratis borstvergroting in plaats van veiligheid en overleven.

Het is verleidelijk om mee te gaan in de discussie over eigenschappen van groepen. Maar het kijken naar de mechanismen achter de discussies levert meer inzicht op. Wie hebben de definitiemacht? Welke spanningen leiden tot de identiteitsvormingen? Welke vormen van leiderschap zien we? Waarmee we uitkomen op de belangrijkste bron van problemen: het gebrek aan verbindend leiderschap. Dat zien we als bron van pesten in de klas, dat zien we als bron van buitensluiting in de samenleving. Wilders biedt een vertoog van een superieure identiteit, ten koste van een minder machtige groep -waarmee hij handig gebruik maakt van spanningen in de samenleving. Steeds meer politici volgen hem, omdat ze niet beschikken over een alternatief, verbindend verhaal. En bang als ze zijn om hun kiezers te verliezen. De overige politici zijn wegkijkers, geen leiders -Rutte voorop, zoals columnist Bas Heijne terecht zegt. Zodat de kinderen in de klas elkaar de hersens inslaan. Maar dat zit niet in onze cultuur, dat zit in de negatieve groepsdynamiek.

Dit essay verscheen eerder in Tijdschrift voor Sociale Vraagstukken, voorjaar 2016, nummer 1, p.48-51

Bronnen:

Bas Heijne 13 februari 2016: http://m.limburger.nl/cnt/dmf20160213_00009837/in-dit-land-heerst-een-dreigcultuur

Nadia Ezzeroili (2016) http://www.volkskrant.nl/binnenland/ik-ben-geen-nederlander~a4234782/

Mieke van Stigt (2014) Alles over Pesten.

Anil Ramdas (2005) http://vorige.nrc.nl/dossiers/moslimterreur/opinie/article1859930.ece/De_buitenstaander_roert_zich_-_en_hoe

  1. Elias en J.L Scotson (1976) De Gevestigden en de buitenstaanders. Een studie van de spanningen en machtsverhoudingen tussen twee arbeidersbuurten.

Overleven in de stad, de moderne Ciske heet Yusuf

“Bestaan er dan geen opvoedkundigen die de armoede van bijna een miljoen gezinnen als een belangrijke opvoedingsdeterminant beschouwen?” (1)

De stad is voor kinderen van oudsher een bijzondere wereld om op te groeien, met grote verschillen in rijkdom en kansen voor latere opleidingen. In Amsterdam is daar Oud-Zuid, waar kinderen met ongeknipte lange blonde haren (zowel de meisjes als de jongetjes) en oude kaplaarsen (erg hip!) ofwel in bestudeerd-vale maar zeer dure kleding de vrijwel witte scholen bezoeken. Ze worden daar met de designerbakfiets naartoe gebracht. Later gaan ze naar het Stedelijk of naar het Montessori, nog weer later studeren ze, al bijna klaar voor de goede banen op de hippe kantoren. Nauwelijks een kilometer verderop dragen de meisjes op feestdagen de mooiste jurken, met kwikjes en strikjes. Diezelfde meisjes dragen op hun 10e een hoofddoek, bezoeken en masse het vmbo (dat lukt de meisjes nog wel, de jongens vaker niet) waarna de slecht betaalde banen volgen. Op een steenworp afstand van elkaar leven zo twee uitersten, de kansrijken en de kansarmen. En daarmee blijkt er in een eeuw tijd eigenlijk maar weinig veranderd te zijn.

Want over het leven in de stad, over overleven in de stad, is een prachtig document geschreven. Het verhaal van Ciske de Rat, aanvankelijk (1942) als boek door Piet Bakker, later als film (1984) met de kleine, schattig-ontroerende Danny de Munck als kleine Ciske en als musical twee decennia later met dezelfde Danny maar dan als volwassen Cis en een nieuwe kleine Ciske, is bij velen bekend. “Had ik moar iemand om van te hauwe, twee sachte armen om me heen, die mijn altijd bescherme souwe, ik voel me so verdomd alleen” – de essentie is duidelijk: een eenzaam jongetje in de grote stad. Het verhaal speelt zich in de oorspronkelijke romans van Bakker af in een Amsterdamse volksbuurt, zo tussen 1920 en 1930.

De eerste verfilming (1955), met Peter Brusse als schoolmeester, blijft een stuk dichter bij het  oorspronkelijke verhaal. Hier wordt duidelijk waaraan Ciske zijn bijnaam “de rat” te danken heeft: aan zijn muisachtig voorkomen, zijn schichtige blik en zijn geringe vermogen om sympathie te wekken. Als jongetje in de grote stad is hij ongewenst. Zijn vader zit op zee, waarmee hij zowel zijn slechte huwelijk als zijn verantwoordelijkheid als vader ontvlucht. Zijn moeder is van bedenkelijk allooi en ziet haar kinderen, met name Ciske, als een vloek. De jongen ontvlucht de bedompte woning zo vaak hij kan en zoekt afleiding op straat, waar kleine criminaliteit, vermengd met ergernis van volwassenen, al gauw uitgroeit tot een beginnend strafblad. Hij heeft te maken met de Pro Juventute, een particuliere organisatie die zich inzetten tegen jeugdcriminaliteit en voor kinderbescherming (deze is waarschijnlijk nog het best te vergelijken met Bureau Halt). Alle verantwoordelijke volwassenen (de schoolmeester, de kinderrechter, de rechercheur van politie) zien dat het niet zozeer Ciske zelf, maar zijn omgeving – met name zijn moeder die hem `s avonds in het café laat werken of bijna dagelijks in het kolenhok stopt – is die schadelijk is. Helaas net niet schadelijk genoeg om hem uit huis te plaatsen, ook al doet schoolmeester Bruis een vergeefse poging om de vader zijn verantwoordelijkheid te laten nemen. Tot het te laat is, door een fataal ongeluk vermoordt Cis zijn moeder.

De trilogie van Piet Bakker verhaalt op romantische en sublieme wijze de sfeer van de jaren twintig, dertig in Amsterdam. De armoede en ruwheid op straat en de pogingen van de zwaar onderbetaalde onderwijzers om de kinderen iets van beschaving bij te brengen. Meester Bruis heeft 48 leerlingen in zijn klas. In zijn vrije tijd studeert hij voor zijn middelbare acte Frans, welke leidt tot een beter salaris: eindelijk kan hij trouwen met zijn Suus. In zijn klas de kinderen van de arme klasse: met kapotte schoenen, `vlooienpikken’, groezelige nekjes. Van huis uit krijgen ze niet veel mee. De ouders zijn vaak laag- of niet geschoold. Zeer vaak speelt alcohol een ongunstige rol.

Ook deze schoolmeester krijgt met agressie van ouders te maken: “De meeste schoolmeesters hebben zoiets wel eens bij de hand gehad. Conflicten met verongelijkte ouders worden wel eens, in letterlijke zin, op straat uitgevochten. Het is het alleronaangenaamste, dat je kan gebeuren. Op straat zijn dergelijke rechtzoekenden altijd in het voordeel. Zij kunnen zich dingen permitteren, waar je als onderwijzer niet aan kunt denken, enfin, `t is een afschuwelijke situatie.” (2) Het leven van de schoolmeesters, die met hun karig salaris het volk moeten verheffen: “Tot die extase moet hij zich dan opwerken op een Maandagmorgen als het regent en de school zo klam is en zo zurig stinkt van al die natte jasjes en dasjes, die in de gang hangen te verdampen. Het kind met natte voeten en misschien een lege maag moet dan denken: `O, o, wat vereenvoudigt meneer toch enig breuken.’” (3)

De klasseverschillen worden pas echt duidelijk als meester Bruis een betere aanstelling aanvaardt op een `kale neten schooltje’(4), een privéschooltje waar ook Frans gegeven wordt, aan kinderen van aanmerkelijk betere sociale komaf. Een klas met maximaal twintig leerlingen, kleine klas, gezonde lokalen en licht en lucht. Hij vraagt zich af: “Zou het wezenlijk verschil maken, of een Jordaanse vroedvrouw je in de Tuindwarsstraat het eerste levenslicht toont, dan wel of de première plaats vindt in een villa bij het Vondelpark?” (…) “Ik krijg hier geen briefjes `als dat Dirk vandaag niet op school kan komen als dat zijn schoenen naar de schoenmaker zijn’.(5)

En verderop in het boek observeert hij de verschillen in het milieu waarin een drukke jongen opgroeit: “Zijn deze jongens nu beter? Ach, wel nee, ze zijn alleen beter behandeld. Van thuis hebben ze iets van burgerdeugd en beschaving mee gekregen. Als zo’n Freddie in een bedstee in de Tuindwarsstraat geboren was, zou zijn vindingrijke, woelige natuur minder geapprecieerd zijn, want in een kamer-keukenwoning komt een jongen met fantasie en ondernemingsgeest wegens gebrek aan levensruimte spoedig in botsing met zijn omgeving; zijn moeder trapt hem de deur uit en hij gaat fikkies maken in brievenbussen, appelen gappen op de markt; hij komt in (…) kattekroegjes en andere couveuses voor de beginnende misdaad. Dan zou zo’n Freddie een lieve kans maken om te verdrinken, eer hij water gezien had. (…) Nu maken Freddie’s ouders van zijn onstuimigheid een deugd en van hun zoontje een flink, levendig jog. Hij speelt met zijn vriendjes in een tuin, waar geen dronken olifant iets kan beschadigen (…) Loopt het eens de spuigaten uit, dan krijgt hij een gezond pak op zijn ziel, maar hij ziet toch al gauw weer begrijpende, glimlachende gezichten om zich heen van mensen, die van hem houden en hem wel een roerig, maar toch een aardig ventje vinden.(6)

De karakterschetsen van de jaren twintig en dertig lijken een typering van een voorbije tijd, maar juist in grote steden als Amsterdam kun je je afvragen of er werkelijk iets veranderd is, of dat de oude tijden weergekeerd zijn. Nu dragen de jongens uit de lagere sociale klasse immers wéér petten, al houden ze deze nu vaak op in de klas en hebben ze een rebelse betekenis. En ook nu zijn er veel kinderen in de armere wijken die hun namiddagen en avonden op straat doorbrengen, omdat er thuis niet veel ruimte is. Nog afgezien van de fysieke ruimte gaat dit ook over de persoonlijke ruimte, het inlevingsvermogen van de ouders. Of je drukke gedrag gezien wordt als een persoonlijke aanval, als `treiteren’,  of dat er begripvol op gereageerd wordt. Voor veel jongens (vooral voor jongens) is er in beide opzichten weinig ruimte in de armere buurten. Zij gaan de straat op, waar zij net als in de tijd van Ciske, de eerste schreden op het slechte pad zetten. Hun rijkere leeftijdgenoten leven vlakbij, maar in een andere wereld. Weliswaar hebben ook zij in de stad niet veel ruimte, maar ze hebben een eigen kamer met tv en spelcomputer en worden van clubjes naar sporten gebracht. Hun ruimte is beperkt maar veilig, tegenover de grotere ruimte van de onveilige straten van hun makkers aan de andere kant van de A10.

Juist in de steden ook, is het contrast zo groot omdat de middengroep grotendeels ontbreekt. De bevolking van Centrum en Zuid leven gunstiger dan gemiddeld, de bevolking van Zuid-Oost, Noord en West zitten onder het gemiddelde. En het zijn juist de autochtone gezinnen met kinderen die de stad verlaten: naar Almere, de Haarlemmermeer, Amstelveen.(7)  Wat overblijft maakt het contrast tussen (kans)rijk en (kans)arm des te duidelijker.

Het grootste verschil tussen kansrijk en kansarm is het opgroeien in armoede. Met name in de grote steden zijn er meer, met name allochtone, huishoudens die onder de armoedegrens leven – al is die armoede door de betere woningbouw, medische zorg, hygiëne  en het vangnet van uitkeringen en voorzieningen wellicht minder iets schrijnend dan een eeuw geleden. In Amsterdam, Rotterdam en Den Haag lag het aandeel arme gezinnen in 2008 boven de 10% (tegen 7,7% landelijk gemiddeld).(8)  Met name bij allochtonen komt armoede ook meerdere generaties lang voor, dat is vaker het geval dan bij autochtonen. Dat, terwijl kinderen van allochtonen met een hoog inkomen net zo vaak als kinderen van autochtonen met een hoog inkomen erin slagen om zelf ook een hoog inkomen te hebben. Kinderen van arme allochtonen zijn dus kansarmer dan kinderen van arme autochtonen, armoede wordt bij hen vaker van generatie op generatie doorgegeven.(9)

De vader van Ciske vatte zijn taak als ouder niet al te ernstig op en was meestal afwezig. Vlak voor de moord op Ciske’s moeder was er sprake van echtscheiding. Ciske’s moeder zorgde mede voor het gezinsinkomen door `s avonds in een café te werken. Ook nu groeien veel kinderen uit eenoudergezinnen in armoede op. Tegenwoordig heeft een groot deel van de eenoudergezinnen (meestal gezinnen met alleenstaande moeders) een inkomen uit de bijstand. Deze gezinnen zijn zes keer zo vaak arm en vijf keer zo vaak langdurig arm als gezinnen met samenwonende of getrouwde ouders. Ook slagen de alleenstaande moeders er minder vaak in dan andere moeders om uit de situatie van armoede te ontkomen. Het inkomensverschil is in de afgelopen jaren zelfs groter geworden: de koopkracht van alleenstaande moeders is gedaald van 68% naar 62% ten opzichte van de samenwonende moeders, met name omdat de laatste groep meer is gaan werken en verdienen.(10)

Schrijver Piet Bakker gaf met zijn beschouwingen vanuit de hoofdfiguur meester Bruis, blijk van inzicht in de rol van de leefomgeving op de opvoeding en de kansen van kinderen in de grote stad. Ook nu is er aandacht voor de invloed van armoede op de opvoeding. Zo blijkt uit onderzoek dat  arme kinderen veel minder vaak lid zijn van een vereniging, ze gaan minder vaak op vakantie en maken minder uitstapjes dan hun meer fortuinlijke leeftijdgenoten. Er is vaak geen geld voor nieuwe kleren, verjaardagscadeautjes, internet, elke dag een warme maaltijd, fruit of (extra) schoolkosten. Hoe langer de armoede duurt, hoe angstiger, ongelukkiger en afhankelijker kinderen zich voelen. Met name kinderen uit eenoudergezinnen en kinderen van niet-westerse afkomst hebben veel kans op nadelige gevolgen van armoede op hun welbevinden. Kinderen gaan daar verschillend mee om. Sommige kinderen hebben een bijbaantje of sparen, maar anderen proberen om de problemen voor hun vriendjes te verbergen en praten er met hun ouders ook niet over.

Armoede hoeft niet altijd tot problemen bij opgroeien en opvoeden te leiden, vooral niet als het gaat om kortdurende armoede of zuiver financiële problemen van tijdelijke aard. Maar vaak is er sprake van een opeenstapeling van problemen en langdurige armoede met grote gevolgen: een lage opleiding van de ouders, psychische problemen, stress en huiselijk geweld.   Deze factoren hebben invloed op de ontwikkeling van kinderen, zoals de ontwikkeling van hun intelligentie, het krijgen van psychische problemen, gedragsproblemen, het ontwikkelen van criminaliteit of het meemaken van kindermishandeling. In arme groepen komen deze problemen vaak gestapeld voor, met aanzienlijke gevolgen voor de kinderen. De kans op psychosociale problemen als gevolg van armoede is het grootst bij kinderen onder de 12 jaar, maar armoede vergroot ook het risico op het niet halen van een startkwalificatie op minimaal MBO-2 niveau, zelfs wanneer de betreffende jongere goed mee kan komen op school. Ook het opleidingsniveau van de ouders speelt een grote rol bij voortijdig schoolverlaten: met elk extra jaar opleiding van de ouders neemt die kans met 7 procent af.  Tenslotte heeft armoede een nadelige invloed op de gezondheid van zowel de ouders als de kinderen in de gezinnen: roken, stress en overgewicht komen vaker voor. Het verschil in  levensverwachting tussen laag- en hoogopgeleide mannen is 6,9 jaar in het voordeel van de hoogopgeleiden.(11)

Er wordt in de laatste jaren in toenemende mate onderzoek gedaan naar de invloed van armoede op opvoeden en opgroeien. Toch blijft mijn indruk dat in het nationale armoedebeleid de aandacht beperkt blijft tot pogingen om de arbeidsparticipatie te vergroten door de sociale zekerheidsvoorzieningen te beperken.(12) Terwijl Nederland enerzijds gekenmerkt wordt door een wirwar van initiatieven en projecten die kinderen willen ondersteunen, ontbreekt anderzijds een algemene focus of doelstelling, gericht op het beperken van de schade door armoede op kinderen en de toekomst van de kinderen. Dat heeft alles te maken met de ontwikkelingen in het jeugdbeleid van de afgelopen decennia, waarin speerpunten en specifieke problemen steeds belangrijker zijn geworden en algemene of fundamentele visies op kinderen, opvoeden en opgroeien uit beeld verdwenen. Ik zou ervoor willen pleiten om de fundamentele vragen en doelstellingen terug te brengen in het nationale beleid. Eén van de vragen is dan: hoe kunnen we de verworven kennis over schade en problemen die armoede bij kinderen veroorzaken, bestrijden en voorkomen? Aan de ene kant blijft aandacht nodig voor de toekomst van allochtone kinderen, die op zoveel verschillende manieren in de problemen zijn en komen. Aan de andere kant is het belangrijk je af te vragen in hoeverre hun positie en kansen nu werkelijk verschillen van die van de onderklasse waar de kinderen uit klas van meester Bruis destijds deel van uitmaakten. Daarnaast is essentieel om de (ook autochtone) kinderen uit eenoudergezinnen te ondersteunen.

Ten slotte speelt de kwaliteit van de leefomgeving een rol. Zoals Bakker via schoolmeester Bruis beschrijft: “Na schooltijd ben ik eens door de straat van de Rat gelopen. Misschien wel uit aanstellerigere behoefte om mij eens erg ongelukkig te voelen. Hoge huurkazernes, een grauwe hemelspleet, plassen bij de goten, opgeschoten jongens blerrend in een portiek en dit alles in de grijze schemer van de motregen. Als kinderen opgroeien in een omgeving zonder één fleurig ding – mijn God, al is het maar een enkele boom, een meisje met een schoon schortje, een blij glimlachend mens! – ja welke eisen mogen we dan aan dat kind stellen?”(13)

Dit voorjaar stond in de Volkskrant een artikel waarin het belang van groen op het welbevinden van mensen benadrukt werd: “Stadsmens, gestresste mens.”(14) De  grotestad-bewoner, aldus het artikel, heeft anderhalf keer vaker hartfalen of astma, leeft een jaar korter en heeft vaker last van depressie of angststoornissen dan landelijk gemiddeld. Opgroeien in de stad leidt bij kinderen tot het risico te ontsporen. Hoewel we gezien het bovenstaande de mogelijke connectie met armoede niet uit moeten sluiten, stelt het artikel dat experimenten waarbij gestresste mensen in contact werden gebracht met natuur sterke verbeteringen lieten zien: de bloeddruk daalde en stresshormonen verdwenen. Maar ook hier geldt weer: juist voor kinderen in grote steden die in armoede opgroeien, zijn uitstapjes en vakantie en dus de kans op weldadig groen, zeldzaam. En als de minister in de aandachtwijken een park laat aanleggen waar vervolgens groepen jongelui staan te dealen, wordt het park voor de jongere kinderen niet de veilige groene oase waar zo’n genezende werking vanuit gaat.

Ook nu nog zijn er vele Ciskes, die opgroeien in grauwe straten, mishandeld worden, het huis ontvluchten,  geen geld hebben voor uitjes, vaak geen fatsoenlijke maaltijd in hun maag. Deze Ciskes groeien op in een eenoudergezin en/of  in een laag opgeleid gezin – dan heten ze vaak Delaney, Wesley of Lorenzo.(15) Maar vaak – en zeker in de grote steden als Amsterdam – heten ze Yusuf of Mohamed. En dan blijkt dat er sinds de tijd van Ciske eigenlijk weinig veranderd is, ook deze kinderen zijn de verschoppelingen van de grote stad en voelen zich vaak zó verdomd alleen.
Dit verhaal is ook gepubliceerd in het Liber Amicorum dat verscheen ter gelegenheid van de pensionering en het afscheid van Ton Notten, oktober 2011.

(1)A.L.T. Notten: Overleven in de stad. Inleiding tot sociale kwaliteit en urban education. Anterwerpen/Amsterdam: Garant 2004.  p.63

(2) Ciske de Rat p. 185

(3) Idem p.55

(4) Idem p.277

(5) Idem p.299

(6) Idem p.355

(7) Bron: O+S De Amsterdamse Leefsituatie 2011

(8) Dossier Armoede in Gezinnen – achtergronden – cijfers. Nederlands Jeugdinstituut 2011

(9) Idem

(10) Idem

(11) Dossier Armoede in Gezinnen – achtergronden – cijfers. Nederlands Jeugdinstituut 2011.

(12) Dossier Armoede in Gezinnen – overheidsbeleid. Nederlands Jeugdinstituut 2011.

(13)  Ciske de Rat p.16

(14) De Volkskrant 25-06-2011

(15) Zie De Volkskrant (24-06-2011): “Ouders van Kelly’s en Kimberly’s hebben het niet breed.”