Roddelen, pesten en labelen – Hoe pesten in de klas en uitsluiting in de samenleving op dezelfde mechanismen berusten

Fel staan verschillende groepen Nederlanders tegenover elkaar. Socioloog Norbert Elias leert ons dat dit veel te maken heeft met machtsverhoudingen, spanningen en geschiedenis.

Het vluchtelingendebat, de zwartepietdiscussie, de ‘angst voor de Islam’ – het zijn drie heel verschillende onderwerpen met een belangrijke overeenkomst: ze hebben de Nederlandse bevolking flink verdeeld. Waar velen zich bedreigd voelen door een invasie van `goudzoekers’ en `testosteronbommen’, staat een ander aanzienlijk deel van de bevolking eten te koken voor vluchtelingen of kleding in te zamelen.

Wat vooral opmerkelijk is, is dat in deze kwesties de autochtone bevolking tegenover elkaar is komen te staan, of verdeeld is geraakt. Het is steeds minder duidelijk wie “wij” zijn en wie “zij” zijn. Dat leidt tot problemen van identiteit en identificatie. Wie zijn wij als Nederlanders? Wat is onze identiteit? Zijn wij echt tolerant of vinden we dat iedereen die tegen Zwarte Piet is moet oprotten naar zijn eigen nikkerland?

Vragen van identiteit (wie zijn wij?) en identificatie (bij wil hoor ik en wie horen bij ons?) laten zien waar de huidige pijn zit, zowel bij autochtone als bij allochtone Nederlanders. De scheidslijn is tegelijk achterhaald én actueler dan ooit. Om dit te begrijpen, moeten we identiteit en identificatie niet langer als een gegeven zien, maar als een proces.

De gevestigden en de buitenstaanders

In zijn studie De Gevestigden en de Buitenstaanders (1976), beschreef en analyseerde de socioloog Norbert Elias, samen met assistent J.L. Scotson, de spanningen en machtsverhoudingen tussen bewoners van twee arbeiderswijken in een plaatsje in Groot-Brittannië. Belangrijk om te weten is dat de bewoners in sociaal-economisch, religieus én etnisch opzicht volstrekt identiek waren. Toch slaagden de bewoners van de ene wijk erin zichzelf neer te zetten als deugdzaam, superieur, fatsoenlijk en de bewoners van de andere wijk als inferieur, onfatsoenlijk en crimineel. De “buitenstaanders” werden gestigmatiseerd naar hun slechtste voorbeelden, terwijl de “gevestigden”, de groep met de meeste macht, zichzelf identificeerden met de beste voorbeelden uit de eigen groep en dat beeld ook wisten te laten domineren.  Hoe deden ze dat? Wat was hun machtsbron, op basis waarvan zij ook de definities over de eigen groep en de andere konden bepalen?

Het bleek dat de bewoners van de “gevestigde” wijk elkaar al generatieslang kenden, terwijl de nieuwkomers geen gemeenschappelijke geschiedenis en geen onderlinge banden hadden. De gevestigden beschikten over een sterk netwerk van onderlinge contacten en ontmoetingsplaatsen. En op al die plekken werd met elkaar over de eigen groep en over de `anderen’ gepraat. Roddelen bleek een sociaal machtsmiddel van jewelste. Daarbij ging het niet alleen over de inhoud van de roddel, maar ook over de vraag wie de roddelmacht had: wie mochten meepraten, wie werden bevestigd, wie werden weggehoond. En juist deze vertrouwdheid en deze roddels zorgden voor saamhorigheid in de ene groep, terwijl de andere juist niet over een dergelijke gemeenschappelijkheid beschikten. Zij stonden individueel tegenover een grote macht aan opvattingen en konden weinig tot niets inbrengen tegen de negatieve beeldvorming. En vaak ging het onderhuids, was de emotionele weerstand wel voelbaar, maar niet eens expliciet.

Pesten in het groot en pesten in het klein

Dit is eigenlijk precies wat er in een pestende klas gebeurt, stelde ik in mijn boek Alles over Pesten. In het proefschrift van antropologe Suzanne Kuik beschrijft zij de processen van volwassenwording in groep 6 en groep 8 van dezelfde klas, over een langere periode dus. Maar in het geval van deze klas ging het om een pestende groep met een zeer negatieve sfeer. Op die manier deed ze onbedoeld, wellicht ongeweten, veldonderzoek naar pesten binnen een groep.

Duidelijk werd hoe het pesten, het sociaal `besmetten’, het buitensluiten, verpakt werd in roddels en de manier waarop gepraat werd over de leiders van de groep en over degenen die eruit lagen. Een belangrijk aspect is dat hierbij steeds gebruik gemaakt werd of verwezen werd naar algemeen aanvaarde maatschappelijke normen. Zo was het populaire, dikke meisje `helemaal zichzelf’ (norm: authentiek zijn), terwijl het andere dikke kind het `helemaal aan zichzelf te danken had’ (norm: slank zijn is je eigen verantwoordelijkheid). Lange tijd is gedacht dat vooral degenen gepest worden die niet voldoen aan de normen van de groep. Hier werd duidelijk dat het buitensluiten voorafging aan het verwijzen naar de norm. Het ging vooral om de vraag: wie hebben de macht om zichzelf positief te labelen, en de ander negatief? En waarom doen ze dat?

Het negatief labelen is niet los te zien van de spanning in de groep en het zoeken naar macht en saamhorigheid. Juist de pestende klas had te maken met een emotioneel, en later ook fysiek, afwezige leerkracht. En met een directie die de klas als onmogelijk bestempelde. Het negatieve gedrag werd niet gecorrigeerd en ook niet in een positieve richting omgebogen. De kinderen waren aan elkaar overgeleverd. De spanningen kanaliseerden zich naar de bliksemafleider, de zondebokken. Zo konden de machthebbers zich `goed’ voelen. Maar ook voor de machtige groep gaf het spanningen: als je niet meedeed werd je gestraft of gecorrigeerd, of liep je het risico zelf buitengesloten te worden. Alle aandacht ging daarom naar het groepsproces, en de klas bleef een onveilige klas, met opmerkelijk weinig echte vriendschappen.

Labelen

Wat heeft pesten in de klas met sociale uitsluiting in de samenleving te maken? Elias en Kuik lieten zien dat het steeds gaat om dezelfde mechanismen: die van macht en labeling. En dat het dus vooral draait om de vraag wie de definitiemacht hebben. De machtigen identificeren zich met de hoogste maatschappelijke normen, en definiëren de ander(en) juist naar de slechtste normen. Hun definitiemacht reikt ver: degenen die het onderwerp zijn van negatieve labeling staan daar tamelijk machteloos tegenover: het ontbreekt hun aan een vergelijkbaar netwerk met positieve labeling en juist omdat ze die algemene normen aanvaarden, hebben ze er weinig tegenin te brengen. Ze gaan er uiteindelijk vaak zelf in geloven.

Elias leert ons bovendien, dat de labeling weinig te maken heeft met de kenmerken van de groepen. Tussen twee volstrekt gelijke groepen ontstond immers een diametrale beeldvorming. Dat is aanleiding om de rechtvaardigingen in de beeldvorming op zijn minst met enige reserve te bekijken. Zoals de verwijzing naar religie (`de Islam’ als verkrachtingscultuur, waarbij het misbruik in de Katholieke Kerk niet eens als relevant wordt gezien), naar ras, sekse of klasse. Het gaat dus om  selectieve labeling. De meerderheid kwalificeert zich met de beste voorbeelden terwijl de andere groep daar lijnrecht tegenover wordt geplaatst. In de woorden van Rutte naar aanleiding van de verkrachtingen in Keulen: `De nieuwkomers moet duidelijk worden gemaakt wat onze normen en waarden zijn’ – alsof alle nieuwkomers verkrachters zijn, alsof de westerse cultuur totaal gevrijwaard is van verkrachting. Overigens bleek dat het in Keulen in meerderheid ging om georganiseerde straatroof door groepen uit Marokko en Algerije. Niet om vluchtelingen. De gebeurtenissen werden vooral aangegrepen om spanningen rond de komst van vluchtelingen te kanaliseren. Daarbij buitelen de definities over elkaar: zijn de vluchtelingen `gelukzoekers’, `testosteronbommen’ die `onze dochters’ bedreigen, of gaat het om mensen zoals wij, maar dan met grote pech, in grote nood, op zoek naar veiligheid?

Spanningen zelf spelen een grote rol. In de studie van Elias gaat het om een arbeiderswijk, waarvan de bewoners zelf relatief laag op de sociale ladder staan, met alle spanningen van dien: keihard werken onder een militante baas, of (dreigende) werkloosheid en algemeen een laag inkomen. De negatieve roddels over de buitenstaanders gaf aan de gevestigden een positieve, superieure identiteit. In de klas van Kuik ging het om een pestende klas, waarbij noch de leerkracht, noch de schoolleiding geneigd was in te grijpen. Maar door de leerplicht zijn de kinderen elke dag weer tot elkaar veroordeeld. Spanningen zelf leiden tot het zoeken naar hiërarchie, naar een gemeenschappelijk gevoel van positieve identiteit, desnoods via een zondebok. De processen van in- en uitsluiting zijn niet te begrijpen zonder kennis van de context.

En ten slotte is het belangrijk om te zien dat het gaat om historische processen van machtsvorming, identificaties en identiteit. De geschiedenis doet ertoe: of je al generaties lang deel uitmaakt van een witte `superieure’ cultuur of al generatieslang de pijn voelt van de geschiedenis van slavernij én van de ontkenning of -erger- de rechtvaardiging ervan. Maar ook dat de dynamiek aan het veranderen is. We staan niet meer -voor zover dat ooit zo was- diametraal tegenover elkaar, maar er is sprake van emancipatie van de onderdrukte groepen, toenemende macht, toenemende onderlinge identificaties en polarisering tussen steeds andere groepen. Het wordt bovendien duidelijk dat deze processen zélf óók niet van alle tijden zijn, maar kenmerkend zijn voor een samenleving, of een klas, die onder zware druk staat.

Pestende klas

Geschiedenis, spanningen en een gebrek aan positief leiderschap dus. Het maakt een groot verschil – los van de verdere gecompliceerde gebeurtenissen- of Angela Merkel over de Duitse opvang van vluchtelingen zegt `wir schaffen das’ of dat Rutte zegt dat we de ‘stroom moeten indammen’.

Elias beschrijft de fase die volgt op het treffen van de gevestigden en de buitenstaanders, namelijk het moment dat de buitenstaanders, vaak de tweede generatie, zich gaan organiseren. Er ontstaat ook onder die groep een grotere sociale cohesie, die evenwel nieuwe spanningen met zich meebrengt. Sommigen ontwikkelen een eigen gevoel van superioriteit tegenover de gevestigden en komen in opstand tegen de negatieve stereotypering. Sommigen door te willen bewijzen dat ze in  hun groep ‘heus niet allemaal zo zijn’ en daarmee aanspraak te maken op identificatie met de gevestigden, anderen door juist het misdadige gedrag te vertonen waarvan ze beschuldigd worden – hun manier om wraak te nemen.

De gevestigden reageren hierop  met intensivering van de roddels, van de negatieve kwalificaties. Aanrandingen door ‘buitenlanders’ krijgen steevast meer aandacht dan die door een eigen machtsinstituut (de kerk). Een gewelddadige aanslag door een witte man wordt psychologisch geduid (Breivik die 69 jongeren op een socialistisch zomerkamp doodschoot, Lubitz die een vliegtuig liet neerstorten) terwijl aanslagen door mannen met een moslimachtergrond automatisch onder het internationaal terrorisme wordt geschaard. Het ‘zie je wel’ klinkt aan alle kanten.

Nieuwe identiteiten

Maar de scheidslijnen vervagen. Ook onder de `gevestigden’ klinken andere geluiden. En de emancipatie van de vaak tweede of derde generatie nieuwkomers betekent dat zij op hogere posities komen, meer te vertellen krijgen en samenwerken met gevestigden. Er komen gemengde huwelijken en gemengde kinderen. Identiteiten zijn veel minder eenduidig, en ook identificaties worden minder vanzelfsprekend. De journaliste Nadia Ezzeroili zet in een column een punt achter haar pogingen om zich Nederlander te vinden. De reacties zijn overweldigend, maar ook gemengd. Naast de voorspelbare `doe niet zielig want het is je eigen keus’ en de verwachte scheldpartijen zijn er ook veel witte Nederlanders die haar beschrijvingen herkennen, en zich schamen. De gekwetste groep is niet altijd blij met de steun van de gevestigden, het -terechte- verwijt is dat er naar de witte man of vrouw eerder wordt geluisterd naar iets wat zij al jaren roepen, of dat de witte mens goede sier maakt met het leed van de ander.

Maar wat we vooral uit het bovenstaande leren is dat we de ontwikkelingen steeds moeten bekijken vanuit de context van machtsverhoudingen en spanningen. Zo zie je dat de groep Nederlanders zich `zorgen’ maakt over vluchtelingen, vaak zelf in de hoek zit waar de economie de zwaarste klappen uitdeelt. Handige politici voorzien deze groep van een superieure identiteit, ten koste van een nog minder machtige groep. Andere lokale machthebbers maken juist gebruik van negatieve labeling van deze `buitenstaanders’ om ze weg te zetten als onredelijk en agressief, terwijl ze weinig oog hebben voor hun noden en hun bezorgdheden. De media op hun beurt haken hier gretig op in door het vuur steeds van nieuwe brandstof te voorzien, want dat is goed voor hun lezersaantallen en omzet. En politici benadrukken dat het door de asielzoekers komt dat er geen huurhuizen zijn en niet door hun eigen beleid. Of dat het de asielzoekers te doen is om gratis borstvergroting in plaats van veiligheid en overleven.

Het is verleidelijk om mee te gaan in de discussie over eigenschappen van groepen. Maar het kijken naar de mechanismen achter de discussies levert meer inzicht op. Wie hebben de definitiemacht? Welke spanningen leiden tot de identiteitsvormingen? Welke vormen van leiderschap zien we? Waarmee we uitkomen op de belangrijkste bron van problemen: het gebrek aan verbindend leiderschap. Dat zien we als bron van pesten in de klas, dat zien we als bron van buitensluiting in de samenleving. Wilders biedt een vertoog van een superieure identiteit, ten koste van een minder machtige groep -waarmee hij handig gebruik maakt van spanningen in de samenleving. Steeds meer politici volgen hem, omdat ze niet beschikken over een alternatief, verbindend verhaal. En bang als ze zijn om hun kiezers te verliezen. De overige politici zijn wegkijkers, geen leiders -Rutte voorop, zoals columnist Bas Heijne terecht zegt. Zodat de kinderen in de klas elkaar de hersens inslaan. Maar dat zit niet in onze cultuur, dat zit in de negatieve groepsdynamiek.

Dit essay verscheen eerder in Tijdschrift voor Sociale Vraagstukken, voorjaar 2016, nummer 1, p.48-51

Bronnen:

Bas Heijne 13 februari 2016: http://m.limburger.nl/cnt/dmf20160213_00009837/in-dit-land-heerst-een-dreigcultuur

Nadia Ezzeroili (2016) http://www.volkskrant.nl/binnenland/ik-ben-geen-nederlander~a4234782/

Mieke van Stigt (2014) Alles over Pesten.

Anil Ramdas (2005) http://vorige.nrc.nl/dossiers/moslimterreur/opinie/article1859930.ece/De_buitenstaander_roert_zich_-_en_hoe

  1. Elias en J.L Scotson (1976) De Gevestigden en de buitenstaanders. Een studie van de spanningen en machtsverhoudingen tussen twee arbeidersbuurten.

Sociale uitsluiting is niet dierlijk!

In zijn artikel “Het zijn net beesten” geeft Maarten Keulemans in De Volkskrant van 16 januari 2016  zijn visie op de vraag waarom groepen mensen de neiging hebben om andere groepen mensen af te schilderen als beesten. Hij noemt dat terecht “dehumaniseren”, ontmenselijken. Als voorbeeld noemde hij de broodje-aapverhalen over vluchtelingen die koikarpers uit een vijver zouden hebben gejat, of dat Vietnamese nieuwkomers de honden zouden opeten. De buitenlander die rare, dierlijke dingen doet. Keulemans ziet dat niet alleen als bevestiging niet alleen dat mensen van nature xenofoob zijn, maar stelt dat het nog erger is: dat ook de neiging om anderen te dehumaniseren, het ontmenselijken van de ander, een “diep menselijke, universele reflex” is. Die ander hoeft niet eens van een ander ras te zijn, zelfs studenten van een andere universiteit worden in een testsituatie al minder snel herkend als menselijk. “Zie daar de aap die alles buiten zijn kringetje veracht.” Waren we daarin maar wat minder dierlijk, verzucht Keulemans.

Uitsluiting is niét dierlijk

Ik heb goed nieuws voor hem: daarin zíjn we ook wat minder dierlijk. Juist het dehumaniseren van de ander, ook al is het een student van een naburige universiteit, is bij uitstek mensengedrag. Of veel liever: menselijk groepsgedrag, sociaal gedrag dus. Want inderdaad hebben we de reflex om anderen snel in te delen in “wij” en “zij”. Alleen: wie die wij en zij zijn, verschilt nogal. We leven allang niet meer in relatief gesloten stamgroepen op de steppe en onze niveaus van identificatie lopen dus enorm uiteen: van ons gezin, onze familie, onze vriendenkring tot de buurt, de school, ons werk, de sportclub, onze stad of ons dorp, mensen van onze huidskleur of ons geloof, mensen die ook in Nederland, Europa, de wereld wonen. Op al deze vlakken vinden processen van identificatie en desidentificatie plaats en géén van die processen verloopt hetzelfde.

Sociale, menselijke processen

Dit zijn bij uitstek sociale processen. De vraag wie bij “ons”  hoort wordt niet op individueel, maar op groepsniveau beantwoord en daar zijn, ook zichtbaar op de sociale media, felle debatten over. Ons vermogen tot empathie voor de ander is inderdaad dierlijk en aangeboren: als er een ernstig ongeluk gebeurt voor onze ogen schrikken we daarvan vóórdat we doorhebben van welke kleur, ras, geloof, godsdienst of voetbalclub het slachtoffer is. Het uitschakelen van deze natuurlijke empathie is bij uitstek een sociaal proces, via definities als hierboven beschreven. Die zie je ook in de klas, waarin een willekeurig kind wordt bestempeld als asociaal, heeft luizen, stinkt, is altijd agressief. Die definities dienen ervoor om het pesten, het buitensluiten, zowel onzichtbaar te maken (want de schuld van het slachtoffer zelf) als te rechtvaardigen. En dat kind is willekeurig gekozen, is niet per sé van een andere kleur, ander geloof, andere voetbalclub enzovoorts. Het is er gewoon één van ons. Onze natuurlijke empathie voor de ander wordt uitgeschakeld in een groepsproces. En neemt iemand het voor het slachtoffer op, dan volgen er sancties. Veel anderen pesten mee, uit angst om anders de volgende te zijn. Dat zie je ook in bedrijven, waarin de nieuwkomer wordt gepest of een werknemer door zijn of haar collega’s  psychisch wordt mishandeld. Je ziet het in tehuizen waarin sommige bewoners niet aan tafel mogen koffie drinken of nooit mogen bepalen wat er op tv is.

Het misverstand biologie

Juist het bestempelen van deze processen van uitsluiting als “natuurlijk” verdoezelt het feit dat het hier gaat om sociale processen die weliswaar een functie hebben (het geleiden van spanningen in en tussen groepen) maar die geenszins onvermijdelijk, natuurlijk of gezond zijn. Nog belangrijker: in deze vorm komt pesten niet in de dierenwereld voor. Natuurlijk testen kleine aapjes het leiderschapsvermogen van de grote apen, maar als ze het te gek maken, wordt er wel degelijk ingegrepen. Ook in menselijke samenleving is gelijkheid de normaaltoestand, en het zoeken naar hiërarchie juist een reactie op gevaar, dán pas is het nodig om zich te organiseren, achter een leider. Dán pas zie je dat spanningen leiden tot uitsluiting van de “ander”, dat er wordt gedacht in “wij” versus “zij”. Het is een teken van spanning en stress, en de mensen worden er niet gelukkig van. De uitgeslotenen niet, maar ook de uitsluiters voelen zich onveilig: zij kunnen de volgende zijn en moeten zeer op hun tellen passen. Deze processen zie je in het groot, in en tussen samenlevingen, en in het klein in klassen of op het werk.

Als je denkt dat het natuurlijk is, dan hoort pesten nu eenmaal bij kinderen. Dan kijken scholen de andere kant op of verzuchten dat kinderen nu eenmaal wreed zijn. Dan doen werkgevers niets, ook al is de sfeer verziekt en kost het pesten het bedrijfsleven miljarden per jaar. Als je beseft dat pesten een uiting is van sociale spanningen, een symptoom van een verziekt groepsproces, dan weet je dat je aan de bak moet. Dan kun je als leerkracht, schoolleider, bedrijfsleider, burgemeester of als staatshoofd leiderschap laten zien: wat zegt dit gedrag over ons?

 

Dit blogbericht verscheen in januari 2016 op mijn blogspot.

DE WEEK TEGEN PESTEN

Het is deze week (19-23 september 2016) de Week tegen Pesten. Alom in de media is aandacht voor het fenomeen pesten, vooral op scholen maar ook op het werk. Natuurlijk heb ik niet stilgezeten. Op de site van Sociale Vraagstukken verscheen mijn column.

De opvoedsite Kroost heeft het interview overgenomen dat Annemiek Verbeek met mij had vlak voor het verschijnen van mijn boek en destijds gepubliceerd werd in het tijdschrift J/M

Op de onderwijs/pedagogieksite HetKind is hernieuwde aandacht voor één van mijn artikelen over pesten: een veilige school begint bij een veilig team

Op woensdag kwamen twee studentes journalistiek uit Tilburg naar mij toe om een item te maken over pesten op de werkvloer. Hun leuke resultaat kun je hier zien.

En hier kun je het radio-interview terugluisteren dat ik vorig jaar had in de week tegen pesten, bij Radio 5, NTR-academie (een uur! het begint met een leuk muziekje)

alles over pesten zijkant koop nuEn wie echt Alles over Pesten wil weten, leest natuurlijk mijn boek!

Toespraak bij de presentatie van mijn boek Alles over Pesten, 21 mei 2014

Eigenlijk wilde ik dit boek helemaal niet schrijven. Niet alleen omdat ik hartgrondig had gewild dat ik nooit gepest werd en dat het mijn leven niet zo fundamenteel bepaald zou hebben. Al op de kleuterschool moet ik gepest zijn, zodanig in ieder geval dat mijn ouders op zoek waren naar een andere school. En ik herinner me dat ik in de derde klas zat en de meester vroeg: wie wil er een boodschap doen. Alle vingers gingen omhoog, maar hij koos mij. Ik mocht samen met een vriendinnetje naar de supermarkt, voor koffiemelk, ik was zo trots. Een paar weken later vond ik achter in de klas, in een kast, een hele stapel met briefjes. Daarop stonden dingen als: Ik vind Mieke gewoon stom. Mieke is een trut. Of: ik vind haar wel aardig maar ze wil alleen met E. spelen. Het bleek dat de meester in mijn supermarktafwezigheid aan iedereen had gevraagd wat ze van mij vonden, om erachter te komen waarom ik zo gepest werd. Dat vond ik achteraf nog niet eens het ergste. Het ergste vond ik dat ik die briefjes vond, dat het blijkbaar niet erg was dat ik ze kon lezen. En dat ik niet uitverkoren was om de boodschap te doen, maar dat de meester mij gewoon even weg had willen hebben.

Ik wilde dit boek ook niet schrijven omdat ik hoopte, wenste, dat ik het onderwerp pesten voorgoed achter me had gelaten. Dat ik dingen bereikt heb, net als “gewone” mensen. Dat ik juist niet geassocieerd zou worden met het besmette onderwerp pesten, want pestslachtoffers zijn “besmet”. Het zijn de zwarte schapen, en als je met ze omgaat word je zelf ook besmet. Of het zijn de losers die te lang blijven hangen in een slachtofferrol. Kom op zeg, get over it and get a life.

Maar eigenlijk wilde ik dit boek juist ontzettend gráág schrijven. Niet alleen om antwoorden te vinden op de vele, vele vragen die ik had over pesten. Over de oorzaken, of mijn eigen schuld, over de rare reacties van leerkrachten, over de vraag hoe het kan dat een vriendin met wie je thuis zo leuk speelt, je op school als een baksteen laat vallen. Over boeken over pesten en anti-pestprogramma’s die de rol van school en leerkracht gewoon over het hoofd zien, over de vraag hoe het kan dat er na 30 jaar kennis over pesten, er nog zo weinig veranderd is.  Maar ook om met mijn antwoorden iets bij te dragen. Met name in de praktijk, bij leerkrachten en ouders, ontbreekt in hoge mate kennis en inzicht over pesten. Het wordt ontkend, gebagatelliseerd of bij het slachtoffer gelegd, of men staat machteloos.

Een van de grootste misverstanden rondom pesten is, dat het een probleem van kinderen is (met als nog groter misverstand dat het nu eenmaal bij opgroeien hoort). In dit boek laat ik zien dat pesten een probleem van groepen is, en dat juist de manier waarop het onderwijs ingericht is, bijdraagt aan problemen in de groep en dus bijdraagt aan pesten. De leerkrachten zijn daarbij lang niet altijd een machteloos toekijkende partij, maar dragen soms actief bij aan het pesten. Dit is een enorm taboe, maar welke gepeste persoon ik ook spreek, ik krijg een hand op mijn arm, een indringende blik en een hartgrondig: ja.

Het werd me ook duidelijk dat juist ik dit boek moest schrijven. Ik kon de kennis van binnenuit combineren met theoretische inzichten en laten zien waar de tekorten en de gaten zitten. Waar lopen mensen tegenaan die gepest worden of gepest zijn? Waar krijgen ouders mee te maken? Wat is pesten nou echt en welke misverstanden moeten nu eindelijk, eindelijk eens de wereld uit geholpen worden?

Het schrijven van dit boek was dan ook een hele toer. In emotioneel opzicht: het risico was groot dat het een larmoyant klaagboek zou worden, en dat wilde ik per sé niet. Juist om serieus genomen te worden, moeten feiten en emoties in balans zijn, en moeten de verhalen leiden tot meer inzicht in zowel de problematiek van pesten, als in de oplossingen en aanpak. Mijn leermeester de socioloog Norbert Elias schreef een boek met de naam: Problemen van betrokkenheid en distantie. Betrokkenheid is noodzakelijk vanwege de kennis en ervaring van binnenuit, met de gedrevenheid er iets aan te willen doen, en distantie is noodzakelijk vanwege objectiviteit en toetsing aan de theorie. De valkuil van betrokkenheid is een emotionele  blindheid, waardoor je bepaalde evidenties niet meer wil zien en waardoor je, juist omdat je zo diep in de materie zit, bepaalde samenhangen niet meer ziet. De valkuil van distantie is dat je die samenhangen wel ziet, maar dat, juist door je onthechtheid, de diepere betekenis ervan je ontgaat. Beide zijn – zo schreef Elias- geen absolute posities, het gaat veel meer om een bewegen tussen twee uiteinden van een continuüm. Onnodig te zeggen dat werken aan dit boek een vorm van evenwichtskunst is geweest.

Een ander inzicht van Elias hielp ook, uit zijn boek De gevestigden en de buitenstaanders, over de machtsbalans in en tussen groepen. Deze theorie heeft wat betreft mijn boek, in belangrijke mate bijgedragen aan inzicht in pesten als een maatschappelijk proces, als een proces in en tussen groepen, waarbij de kenmerken van die groepen veel belangrijker zijn dan de eventuele persoonskenmerken. Voor hetzelfde geld zou iemand in de andere wijk geboren zijn en dan bij de pestkoppen hebben gehoord en niet bij de slachtoffers. Of zou de andere wijk veel langer hebben bestaan, dan waren zij de gevestigden  geweest en de andere wijk de nieuwkomers.

Pesten richt enorme schade aan, aan je zelfbeeld en aan je anderbeeld: aan je zelfvertrouwen, en aan het vertrouwen in anderen. Pesten gaat verder dan een persoonlijk drama, al was het maar omdat er zovéél pestslachtoffers zijn. Het zorgt voor economische schade. Tienduizenden kinderen worden dagelijks of wekelijks gepest. Dat is niet alleen schadelijk voor henzelf en hun gezondheid, die veertig jaar na dato nog de gevolgen draagt. Dat is ook schadelijk voor alle betrokkenen. Voor de pester, die een grotere kans loopt om in de criminaliteit te belanden, voor de omstanders die zelf opgroeien in angst en niet leren hoe je met elkaar een positief groepsproces opbouwt. Voor alle kinderen die helemaal niet meer naar school gaan en thuiszitten. Voor alle mensen die op hun werk gepest worden, en de enorme economische schade daarvan. Voor het leed van bewoners van instellingen en verzorgingshuizen. Pesten is een persoonlijk, maar vooral ook een maatschappelijk drama. Pesten is een groot probleem in onze samenleving en heeft niets – ik herhaal niets – te maken met wreedheid van kinderen. Wel met wreedheid van mensen en vooral met wreedheid van groepen. Pesten is niet het gebrek aan empathie, maar juist het actief losmaken van empathie, van het slachtoffer. Die wordt ge-ont-empatiseerd, waarna hij de behandeling die hij krijgt ook echt verdient. Dat is één van de redenen waarom pesten vaak niet herkend wordt: de rechtvaardigingstheorieën maken dat het geen pesten is, maar een natuurlijke, noodzakelijke of rechtvaardige gang van zaken. En ik hoef maar naar de behandeling van joden in de jaren dertig en vroege jaren veertig te verwijzen, om duidelijk te maken dat pesten in het groot en pesten in het klein met elkaar verbonden zijn.

Ik ben bij het schrijven van dit boek enorm geholpen door vele anderen, die mij hun verhaal vertelden. Over het pesten, maar vooral over de gevolgen, die soms na decennia nog voelbaar zijn. Mensen die nog steeds worstelen met de gevolgen van pesten, die zich nog steeds niet thuis voelen in een groep, in een gezelschap. Die nog steeds twijfelen aan zichzelf. Dat vond ik overigens nog best heftig, die verhalen. De pijn van mezelf, daar was ik wel aan gewend.

Maar de pijn van anderen, die door mij- ik vroeg er immers naar- weer naar boven kwam. Dat vond ik moeilijk, confronterend. Maar ze zeiden allemaal: als  mijn verhaal er toe bij kan dragen dat iemand zich begrepen voelt, dat er meer kennis komt over pesten, dat mensen zich herkennen, dat pesten wordt aangepakt, dan is het niet voor niets, dan heb ik het er graag voor over. Ik ben al deze mensen enorm dankbaar, hun vertrouwen in mij maakte me nederig, en ik hoop alleen maar dat mijn boek enigszins tegemoet komt aan hun verwachtingen. Hun bijdrage heeft ervoor gezorgd dat dit boek veel rijker is dan wanneer ik alleen mijn eigen verhaal zou vertellen. Het gaf me ook houvast: ik was en ben niet de enige.

Dit boek zou er nooit zijn geweest zonder Theo Klungers, pestdeskundige en therapeut (1). Jaren geleden vertelde hij op een ouderavond, op de school van mijn dochter, over pesten en de gevolgen. Hij zei: als pesten langer duurt dan drie, vier maanden, dan spreken we van structureel pesten en dat richt blijvende schade aan. Ik dacht bij mezelf: vier máánden? Ik ben (even tellen) minstens 8 jaar gepest. Eigenlijk van de kleuterschool tot in 5vwo (en dat is dus 13 jaar). En op zich kon ik daar nog wel mee omgaan, en was ik best trots op wat ik allemaal gedaan en bereikt had, ook juist dank zij het pesten, omdat ik me op een kwaad moment (ik zag pas veel later, dank zij Theo, dat dit een goed moment was) had bevrijd van de mening van anderen, en daardoor juist meer durfde te zeggen en wel durfde op te vallen. Maar figuurlijk gesproken was de fundering onder mijn huis totaal verrot. Er hoefde maar iets te gebeuren of het zaakje stortte in. En vooral met betrekking tot onze dochter, die in alles zo op ons lijkt, was ik bang dat mijn instortende huis háár schade zou berokkenen. Ik ben bij Theo in therapie gegaan, en heb daar vele, vele gesprekken gevoerd, die uiteindelijk uitgroeiden tot gelijkwaardige samenwerking, en een gezamenlijk document aan de staatssecretaris en de kinderombudsman. En vervolgens tot dit boek.

Dankbaar ben ik ook voor mijn ouders, die mij door mijn jeugd heen geholpen en gesteund hebben met hun grenzeloze liefde, geduld en vertrouwen in mij. Dat geldt ook voor mijn gewaardeerde wederhelft Ronald, die de rots is waarop jarenlang mijn zelfvertrouwen kon groeien.  En natuurlijk onze dochter Elise, die ook het nodige met mij te stellen heeft gehad. Het valt niet mee als je moeder een boek schrijft over een zo pijnlijk onderwerp.

Ik wil de mensen van de uitgeverij en vooral Suzanne Batelaan enorm bedanken voor de prettige manier van samenwerken en vooral hun enorme vertrouwen in mij, toen ze mij vroegen dit boek te schrijven.

Dank ook aan Arjan Post, mijn redacteur en vriend, die als mede-socioloog begreep welk boek ik voor ogen had. Dank aan alle mensen die mij op deze weg gesteund hebben, in levenden lijve en via de sociale media, die –ondanks de slechte naam- vooral ook sociale media zijn.

Tot slot ben ik heel dankbaar dat de Kinderombudsman, samen met de Staatssecretaris, het onderwerp pesten op de maatschappelijke agenda heeft gezet. Pesten is geen individueel, maar een maatschappelijk probleem. Het richt, naast enorm persoonlijk leed, economische schade aan door ziekteverzuim, ziektekosten, verminderde productie en lagere schoolprestaties. Van de overheid moeten kinderen verplicht naar school, maar gepeste kinderen komen daar dagelijks in een hel terecht. Dat is op korte en lange termijn ziekmakend, alweer een individueel én maatschappelijk drama. De leerplicht maakt de overheid ook verantwoordelijk voor het geestelijk welzijn van kinderen en jongeren. Dat is geen eenvoudige taak, juist omdat pesten mede voortvloeit uit de manier waarop onze samenleving, en ook ons onderwijssysteem, is ingericht. Toch vernam ik, dat pesten op de pabo geen verplicht vak is, maar onderdeel van een keuzevak. Onbegrijpelijk. Een gezonde sfeer in de klas is de basis voor elk ander schoolsucces, van alle betrokken kinderen. Ik hoop dan ook (Mijnheer Dullaert, nu ik u toch spreek) dat de kinderombudsman zich niet alleen inzet voor verantwoorde anti-pestprogramma’s, maar ook voor fundamentele ondersteuning van scholen en leerkrachten op dit gebied, en dat het onderwerp op pabo’s verplichte kost wordt (het liefst natuurlijk met gebruik van mijn boek).

Er moet in ieder geval meer  duidelijkheid komen over verantwoordelijkheid, in scholen, bedrijven en instellingen, maar ook in buurten en in de samenleving als geheel. Met mijn boek hoop ik een bijdrage te leveren aan het debat over pesten, aan de kennis erover en van de voorwaarden voor een aanpak ervan. Daarnaast is het bedoeld als hart onder de riem, als troost voor alle mensen die gepest zijn of dat nog worden, en voor alle ouders die `s avonds aan het bed van een verdrietig kind zitten. Een boek, kortom, voor buitenbeentjes en kuddedieren, dus voor ons allemaal. Het is daarom een grote eer dat dhr. Dullaert dit boek in ontvangst wil nemen. Mijnheer Dullaert, alstublieft.
dsc04278

 

Dit blogbericht verscheen oorspronkelijk in mei 2014 en werd ruim 900 keer gelezen.

noot (1): Theo Klungers, bureau Posicom. www.posicom.nl

 

 

Meer over pesten en weerbaarheid

De woorden pesten en weerbaarheid komen maar al te vaak in één redenering voor. Weerbaarheid zou pesten voorkomen, of andersom: een gebrek aan weerbaarheid zou pesten veroorzaken. Deze redenering houdt pesten in stand en veroorzaakt daarom vele slachtoffers.

Wat is weerbaarheid nou eigenlijk?

Want wat is weerbaarheid: in oorlogstijd is dat het afsluiten van je gevoel, om te kunnen overleven. In vredestijd is dat het positief leren omgaan met jezelf en anderen, het leren omgaan met tegenslag.  Het probleem met pesten is dat het geen tegenslag is, maar structurele terreur. Het probleem met ons huidige onderwijs (maar ook sommige, nee veel, werksituaties)  is dat deze kenmerken bevatten van een oorlogssituatie, waarin je je onveilig voelt door gebrek aan zekerheid, respect en positief leiderschap.

Nu kun je dat opvatten als onvermijdelijk, zo is het leven nu eenmaal en “kinderen zijn nu eenmaal wreed”, of, “je moet maar leren omgaan met de vele klootzakken in deze wereld” (zie mijn vorige blog) maar dat heeft wel consequenties. Er zijn er die inderdaad overleven, maar de weerbaarheid in oorlogstijd is die van afsluiten. De prijs die zij betalen is een mens- en zelfbeeld op basis van onveiligheid en het niet kunnen ontplooien van al hun capaciteiten, omdat daar nu eenmaal een veilige omgeving voor nodig is. En de prijs is ook dat er slachtoffers vallen. Deze zijn niét onvermijdelijk, maar het gevolg van de keuzes die gemaakt worden.

De slachtoffers van pesten betalen de prijs. Het gevolg van pesten: niet kunnen omgaan met kleine speldenprikjes, waarop wordt gezegd dat het pesten aan jou ligt, omdat je zo “overgevoelig” reageert en je je alles zo ontzettend aantrekt. Het gevolg van pesten is dus niet dat je weerbaarder wordt, maar juist dat je geen kans krijgt om deze op te bouwen. Want pesten is geen tegenslag (waar je met steun van je vrienden weer bovenop kunt leren komen) maar juist het stelselmatig ondermijnen van al je pogingen tot weerbaarheid, ja zelfs je pogingen om onzichtbaar te worden.

Ingrijpen bij pesten is –anders dan veel volwassenen denken- juist niet het kind de kans ontnemen om weerbaar te worden, maar diepe noodzaak. Omdat pesten niet iets is waar je maar tegen moet kunnen. Bovendien accepteert de pestende groep niet dat een kind (of volwassene) weerbaar wordt, zal er alles aan doen om de situatie weer terug te draaien: het “weerbare” kind is nu “agressief”, geen wonder dat hij geen vriendjes heeft. Er moet dan ook een einde komen aan de reflex om kinderen die gepest worden naar een weerbaarheidstraining te sturen. Dit werkt contraproductief (1) en bevestigt zowel slachtoffer als daders dat er met hem iets mis is.

Eerst vertrouwen, dan weerbaarheid

Het enige wat helpt tegen pesten is het aanpakken van de hele groep, omdat de spanningen in de groep, meestal als gevolg van afwezigheid van positief leiderschap, tot pesten hebben geleid. Voor het slachtoffer is het eerste wat hersteld moet worden na langdurig pesten het vertrouwen, niet de weerbaarheid. Dat bouw je langzaam op door de kans te krijgen om succeservaringen op te doen, óók bij het van je afbijten (iets dat door een welwillende, goed geleide groep geaccepteerd wordt als een grens, niet iets wat door de pestende groep genadeloos afgestraft wordt)

Vanuit dit opgebouwde vertrouwen kun je verschil maken tussen een buitenstaander die iets onaangenaams zegt en iemand van je eigen kring die zegt, ach joh, laat ze kletsen, ‘wij vinden je tof! Vrienden dus. Met hun steun, in een veilige omgeving, bouw je die weerbaarheid dan langzaam weer op.

Zijn de kinderen die niet gepest worden, dan wel weerbaar?

Hoe zit het met die andere kinderen, de kinderen (of volwassenen in werksituaties) die niet gepest worden. Zijn die weerbaar? En zo ja, waarom? Sommige kinderen hebben gewoon mazzel, die hebben hun uiterlijk en innerlijk mee, een stabiele thuissituatie en geen grote levensgebeurtenissen zoals verhuizen, echtscheiding, ziekte en/of dood. Ze hebben vanzelfsprekend vriendjes en komen zonder noemenswaardige problemen de schoolperiode door. Andere kinderen hebben minder geluk: ze zijn geboren met een licht afwijkend uiterlijk of een iets zwaardere lichaamsbouw(2). Of ze zijn veel gevoeliger en beschouwender van aard: ze voelen andermans pijn, ze ervaren onrecht, ze zien ieders verdriet en geluiden en gebeurtenissen worden al gauw overweldigend. Of ze zijn kwetsbaar door armoede, door levensgebeurtenissen of door een stoornis of beperking.

Dat hoeft allemaal geen probleem te zijn: in een stabiele omgeving bouwen ook zij zelfvertrouwen en dus weerbaarheid op. Maar in een instabiele omgeving zijn zij als eersten de klos. Zoals water altijd naar het laagste punt gaat, komen de spanningen in de groep bij hen terecht. Daar is geen ontkomen aan, maar de oorzaak ligt niet bij hen, maar bij de spanningen in de groep. Alleen hebben betrokkenen (de pesters, de volwassenen) er vaak geen belang bij om dit in te zien.

(Overigens kunnen ook kinderen of volwassenen die aan geen van bovenstaande omschrijvingen voldoen slachtoffer worden van pesten. Gewoon pech. Omdat pesten uiteindelijk nooit te verklaren is vanuit kenmerken van het slachtoffer, maar begrepen moet worden als signaal dat de groep onveilig is).

De pesters en de meelopers, zijn die dan weerbaar? Dat is toch echt een misvatting. In zekere zin gaan ze adequaat om met de situatie: ze worden niet gepest, ze pesten soms vanwege het lekkere gevoel van macht en saamhorigheid, of om hun eigen populariteit in de groep op te krikken. Of juist vanuit onzekerheid dat ze anders zélf gepest zouden worden.

Is weerbaarheid het overleven in ingewikkelde situaties? Ja, dat wel. Maar als dat ten koste gaat van anderen, omdat ze een pestslachtoffer nodig hebben voor hun eigen vertier en populariteit? Of om überhaupt hun schooltijd/werksituatie te overleven?

Bij pesten is iedereen verliezer

De bottomline is dat ook de pesters en meelopers veel verliezen. Bijvoorbeeld de kans om zich te ontplooien en positieve ervaringen op te doen. Of om mee te profiteren van de sterke kanten van de slachtoffers, kanten die niet tot bloei kunnen komen maar die in een veilige omgeving zoveel meerwaarde zouden kunnen geven aan de groep: diversiteit, andere perspectieven, een rijker geestesleven, een gedeeld gevoel van mededogen en echte vriendschap. Het verlies door onveiligheid uit zich niet alleen in gemiste kansen, maar ook in keiharde cijfers van ziekte en psychische problemen, ziekteverzuim, lagere schoolprestaties of lagere productiviteit, en hogere criminaliteit omdat kinderen alleen leren om op een negatieve manier, ten koste van anderen, hun doel te behalen.

Het niet ingrijpen bij pesten is een keuze, die maar al te vaak gerechtvaardigd wordt met verwijzing naar onvermijdelijkheid (alsof een oorlogssituatie in het onderwijs niet strijdig is met alles waar het onderwijs voor staat, alsof een oorlogssituatie op de werkvloer niet bakken vol geld kost aan fouten en ziekteverzuim), of naar de eigenschappen van de slachtoffers die niet weerbaar genoeg zijn. Maar in feite is dit niet-ingrijpen een politieke keuze: wegkijken is makkelijker, je hoeft je verantwoordelijkheid niet te nemen. Misschien kunnen deze wegkijkers nog eens op hun rol gewezen worden met verwijzing naar het enorme verlies dat ook zij lijden. Als mededogen en respect geen argument zijn, laten ze dan eens kijken naar hun portemonnee of hun eigen gemiste kansen. Bij pesten is iedereen verliezer, ook de pesters, ook de meelopers, ook de wegkijkers.

(Dit blog verscheen oorspronkelijk op 2 april 2014)

(1) http://www.gmw.rug.nl/~veenstra/CV/Info%20Dutch/NRCPlanvanAanpak25maart2013.pdf 

(2) Dat begint al heel jong, bij kinderen die van nature wat groter en zwaarder zijn. Al vroeg willen kinderen niet met ze spelen of lopen ze risico te worden gepest, ook bij sport of buitenspelen. Dit leidt vervolgens tot minder bewegen en meer (troost) eten en dus tot meer overgewicht.

 

Van wegkijken bij pesten wordt niemand weerbaar

“Kinderen zijn wrede monsters” stond laatst boven de gastcolumn van historicus Geerten Waling  in de Volkskrant (22 februari 2015) (1). Deze uitspraak vond meteen bijval, in de brievenrubriek (“je moet er gewoon hard op slaan”) en zelfs op de site van J/M voor ouders, waar een jeugdcoach de moeder van een gepeste zoon uitlegt dat deze toch maar moet leren omgaan met `al die gemene klootzakken in de wereld.’ (2)

Hoe begrijpelijk deze reactie van mensen  die jarenlang gepest zijn of het van dichtbij hebben meegemaakt ook is, toch is het een mythe dat kinderen van nature wreed zouden zijn. Kinderen zijn sociale wezens die alleen overleven via sociaal leren, via empathie dus. De omgeving bepaalt vervolgens in welke mate empathie mogelijk is: in een oorlogssituatie moet je overleven en je gevoelens kunnen afsluiten, in een veilige omgeving kun je al je eigenschappen laten opbloeien. Wreedheid is dan ook geen kenmerk van kinderen, maar –een enkele psychopaat daargelaten- vooral van groepen. Denk hierbij aan pesten op het werk, pesten in het leger, pesten in bejaardentehuizen, Arthur Gotlieb die kapotgemaakt werd bij de Nationale Zorgautoriteit. Het gaat hier niet om wreedheid van kinderen, maar macht en misbruik in groepsverband: problemen van identificatie in en tussen groepen en het ontbreken van positief leiderschap. Denk in dit verband maar Onze Grote Roerganger premier Rutte die onlangs in een interview met Metro zei dat discriminatie “vooral het probleem van Mohammed zelf” is.(3) Falende leiders hebben er alle belang bij om te zeggen dat pesten en uitsluiting er nu eenmaal bij horen, dat het een probleem van de slachtoffers is. Dat leidt de focus van hen af, naar het slachtoffer. Het is een breed gedeelde opvatting, zowel in de klas als in de samenleving.

Pesten is niet natuurlijk 

Er zijn vele mythes over pesten en deze mythes richten enorme schade aan. Ze zorgen ervoor dat het pesten gelegitimeerd wordt en mensen wegkijken: tja, het hoort er nu eenmaal bij. Pesten zelf richt enorme schade aan waarbij alleen zelfmoordgevallen de krant halen, maar vele anderen levenslang met psychische en fysieke gevolgen leven. Bovendien is pesten niet alleen schadelijk voor de slachtoffers, maar voor alle betrokkenen. Voor de daders, die in hun latere leven een hogere kans op criminaliteit lopen; voor de hele klas door gevoelens van onveiligheid en verminderde schoolprestaties én voor het team van leraren door werkstress en hoger ziekteverzuim. In bedrijven en instellingen leidt pesten tot ziekteverzuim, fouten en verminderde productiviteit. Reden genoeg om wél in te grijpen, zou je zeggen. Maar ingrijpen is lastig en vereist niet alleen inzicht in de situatie, maar ook meesterschap daarover. Iets wat je niét op de pabo leert.

Juist het onderwijs is een uiterst onnatuurlijke sociale situatie: het is relatief nieuw dat wij kinderen in een groep bij elkaar zetten op basis van leeftijd. Je moet je eens indenken dat je dat als volwassene zou gebeuren. De horror. Toch denken veel mensen dat het “natuurlijk” is dat kinderen aan elkaar worden overgelaten, terwijl in verticale groepen pesten minder vaak voorkomt en de ouderen zowel de positieve waarden en kennis van het groepsproces door geven als ingrijpen als het uit de hand loopt. Testen hoort erbij, sociaal leren ook en ingrijpen dus ook.

“Discriminatie is het probleem van Mohammed”

Maar ingrijpen vergt verantwoordelijkheidsgevoel, inzicht in de eigen rol, en die ontbreekt maar al te vaak, bij Rutte, in bedrijven en bij de school. Kinderen en hun ouders lopen tegen een muur van weerstand en onbegrip: het kind zal zelf wel niet weerbaar genoeg zijn en moet nodig naar een weerbaarheidstraining. Uit onderzoek is al lang bekend dat dit onzin is, en zelfs contraproductief werkt. Het slachtoffer wordt gesterkt in zijn gevoel dat het aan hém ligt, de klas en de leraren ook. De pestende groep staat vervolgens helemaal niet open voor wat het slachtoffer op die training leert. Pesten komt immers voort uit spanningen in die groep, en die spanningen zoeken een uitweg. Als het slachtoffer in opstand komt zullen die spanningen alleen maar toenemen. En die opstand wordt ook gezien als “bewijs” dat het pesten gerechtvaardigd is. Immers: Mohammed, die zich op aanraden van Rutte aan het invechten is, is altijd zo agressief? Geen wonder dat hij uitgesloten wordt, hij maakt zichzelf onmogelijk. Ouders grijpen niet in, bang als ze zijn dat het pesten anders op hún kind overslaat. Of ze zijn het eens met de gedeelde opvatting dat dit kind hun empathie niet verdient. En dus kan het gebeuren dat een jochie van zes maar één vriendje op zijn partijtje krijgt en de ouders van de andere vijf genodigden niet eens de moeite nemen om af te zeggen.

Als je eigen kind maar weerbaar is

Want wat is weerbaarheid eigenlijk?  In oorlogstijd betekent dit dat je je gevoelens zoveel mogelijk uitschakelt, dat je overleeft. In vredestijd juist dat je vertrouwen hebt in jezelf en de ander en dat dit vertrouwen ook een stootje kan hebben. Deze weerbaarheid doe je op via positieve ervaringen met anderen en via veiligheid in de groep. Maar hoe krijg je vertrouwen in jezelf en de ander, als je juist elke dag gepest wordt? Sociale afwijzing is zeer pijnlijk en leidt tot verminderd zelfvertrouwen, wat ook vervolgens zichtbaar is. Langdurig gepeste kinderen en mensen stralen dat vervolgens ook uit, wat hen kwetsbaar maakt voor nieuwe pesterijen. De nadruk op weerbaarheid zorgt er vervolgens voor dat hen dat wordt verweten: ze zijn niet weerbaar genoeg, geen wonder dat ze worden gepest. Zo wordt het gevolg van pesten verward met de oorzaak ervan: problemen in de groep en gebrek aan positief leiderschap. De klas blijkt niet in vredestijd, maar in oorlogstijd te verkeren. Dat is geen natuurwet, maar het gevolg van wegkijkende volwassenen. De leerkracht uit onmacht of vanuit de gedachte dat het slachtoffer tekort schiet, de andere ouders vanuit angst dat het pesten anders hún kind treft (zodat ze hun kind liever niet met het slachtoffer laten spelen, want pesten is besmettelijk) of vanuit de superieure gedachte dat hún kind tenminste wel weerbaar is.

Mythes over pesten houden pesten in stand, omdat de verantwoordelijke volwassenen niet ingrijpen en zelfs professionals zich zuchtend neerleggen bij de situatie. Fatalistisch denken dat pesten en uitsluiting er nu eenmaal bij horen en dat we daarmee maar moeten leren omgaan dient alleen degenen die niét gepest worden, omdat ze daarmee kunnen blijven geloven in zichzelf als winnaar in die strijd. Ze worden zelf zonder steun immers niet gepest? Dan hebben de slachtoffers het aan zichzelf te danken. Maar je wordt niet weerbaar van pesten, nu niet en straks niet. Wie wegkijkt steunt de pestkoppen.

 

(Dit blog verscheen oorspronkelijk op 30 maart 2015)

(1) http://www.volkskrant.nl/dossier-gastcolumn/kinderen-zijn-wrede-monsters~a3870699/?akamaiType=FREE

(2) http://www.jmouders.nl/opvoeden/puberteit/pubergedrag/vraag/brugklasser-wordt-gepest

(3) http://www.metronieuws.nl/binnenland/2015/03/liever-een-dode-terrorist-dan-een-dode-onschuldige

Pesten als drama. De casus van het Einsteinlyceum

Een jongen heeft met een verborgen camera de pesterijen gefilmd die hij dagelijks op school moet ondergaan. Dit, in opdracht van een televisieprogramma (Project P: Stop het pesten, van RTL 5) dat hem had beloofd een einde te maken aan het pesten. En natuurlijk zou hij er mee op televisie komen.

Al met al een recept voor problemen, en natuurlijk ging het mis. De school spande een rechtszaak aan om uitzending van het programma tegen te houden. Het programma Nieuwsuur wijdde er een item aan (1).

Maar wat ging er precies mis en vooral: waarom?

Allereerst de methode. Dat is die van “blaming and shaming” oftewel de piratenmethode, die pesten “hard” wil aanpakken. De daders confronteren en zwartmaken, zodat ze voor eens en altijd zullen begrijpen dat ze niet mogen pesten. Deze methode levert geen inzicht in oorzaken en oplossingen van pesten. Pesten is een probleem van de hele groep en het zoeken naar hiërarchie en gezamenlijke groepsnormen. Soms komt een groep in een negatief groepsproces terecht, waarbij een zondebok nodig is om de groepsnormen te bekrachtigen en zo de machtsverhoudingen te waarborgen. Vooral als er geen sprake is van positief leiderschap in de groep zelf of van de docent(en). Dit kun je niet doorbreken met een harde ingreep waarbij iedereen straf krijgt, want wie is daarvan het slachtoffer? Juist, de zondebok. Deze methode roept dus juist agressie op. Wat ook blijkt, de verontwaardiging is groot. Maar niet de verontwaardiging over het maandenlange pesten, maar over het tv-programma en het stiekeme filmen.

De meest gangbare reactie op pesten is ontkenning (“het is maar een geintje, daar moet je tegen kunnen”), of –als dat niet helpt-  het slachtoffer beschuldigen. Die doet ook wel heel raar, zoekt de moeilijkheden juist op, gedraagt zich kinderachtig, reageert overal op, enzovoorts. Daarbij over het hoofd ziend dat dit juist vaak reacties zijn op het pesten. Gevolgen dus in plaats van oorzaken.

In dit geval gaat de verontwaardiging naar de programmamakers die de kinderen dwongen en naar de jongen, die stiekem filmde. Niét naar de pesterijen die hij al tijdenlang moest doormaken, niet naar de klaarblijkelijke wanhoop van de jongen en zijn ouders. De verontwaardiging van de school, die zelfs een rechtszaak aanspant om uitzending van het tv-programma te voorkomen, gaat vooral naar de methode en de openbaarheid ervan. Kinderen zouden zijn gedwongen om naar de opnames te kijken en vervolgens hun excuses te maken. Hoe erg is dat, vraag je je af, in vergelijking tot wat de jongen in kwestie dagelijks moest meemaken?

De rector heeft groot gelijk dat de aanpak van pesten een langdurig proces is dat zorgvuldig begeleid moet worden, en dat je bij zo’n eenmalige actie als die van het televisieprogramma niet de illusie moet hebben dat je ook maar iets bereikt. Toch wringt er iets. Bagatelliseert hij het pesten als hij er nadrukkelijk op wijst dat hij de dossiers heeft bekeken en dat het om “multi-problemen” ging (suggererend dat er echt wel wat meer aan de hand is)? Of wanneer hij stelt dat op de gemaakte opnamen “opmerkingen die je zou kunnen opvatten als pesten” voorkwamen? De rector wil de zaak niet in de openbaarheid oplossen (daarin heeft hij groot gelijk) maar in een “veilige setting, in de geborgenheid van de school.” Maar hoe veilig is die setting? Die was al buitengewoon onveilig voor deze jongen, en is dat nu nog meer.

Wat ik mis is aandacht voor de wanhoop van de jongen en zijn ouders, en vooral, voor de gevolgen van deze schreeuw om aandacht. Ik heb inmiddels gehoord (van horen zeggen) dat het pesten alleen maar is toegenomen. Of, zoals pestdeskundige Bob van der Meer in hetzelfde filmpje zegt: die jongen is zwaar gestigmatiseerd. Die heeft geklikt, zijn positie is nu helemaal onmogelijk op die school. Grote schuldige is de producent van het programma, die uit is op kijkcijfers. Die krijg je nu eenmaal niet met een weloverwogen, langdurig en genuanceerd proces, maar wel met snelle opnames en een hoop reuring. In de woorden van Bob van der Meer (die om dezelfde redenen al snel afhaakte): met “stennis”.

Al met al een zeer trieste situatie. Alleen nog een heel krachtig ingrijpen van de rector en de hele school kan de situatie van de jongen redden. Met aandacht voor het waarom van deze wanhoopsdaad (wat maandenlang pesten met je doet) en met meteen een leermomentje wat sensatiejagers met jouw situatie kunnen doen. Dat ze eigenlijk alleen maar geld willen verdienen met jouw leed. Kortom, een lesje mediawijsheid.

Maar gezien de verontwaardiging en toch (het vermoeden van de) neiging tot bagatelliseren, verwacht ik dat de jongen niet lang op die school zal blijven. Gedoemd tot het zoeken van een andere school (die hem ook niet zal willen hebben) of tot thuiszitten. Triest.

En het programma is vast alweer op zoek naar het volgende slachtoffer.

(1) http://nieuwsuur.nl/onderwerp/632043-commotie-over-geheime-opnames-rtl.html

Dit blog verscheen oorspronkelijk op 8 april 2014

Hooggevoeligheid en pesten

Langzaamaan komt er meer bekendheid voor het fenomeen “hooggevoelligheid”, met name dank zij het standaardwerk van Elaine Aron en in Nederland de boeken van o.m. Carolina Bont en Marian van den Beuken. Een flinke minderheid (Aron heeft het over 15-20%) van de bevolking is hooggevoelig. Deze mensen (het komt overigens ook in de dierenwereld voor) zijn gevoeliger voor geluiden, geuren, subtiele veranderingen, signalen of behoeften van anderen, dreigend gevaar, maar ook voor spirituele ervaringen of schoonheid van natuur of kunst.

Voor een populatie is het goed dat deze individuen er zijn, die zowel de mogelijke gevaren het eerst opmerken maar ook zorgen voor verbinding tussen mensen en de mogelijkheden en nuances. Het zijn de filosofen, priesters, de kunstenaars en verzorgers. Het is natuurlijk voor een bevolking niet productief als iedereen zo gevoelig is, maar een flinke minderheid waarborgt de veiligheid en zielenzorg van de gehele populatie.
Voor een gevoelig persoon is de wereld, door alle ervaringen die op je afkomen, al snel overweldigend. Alle geluiden, geuren, de drukte, maar ook de positieve en negatieve signalen van andere mensen komen voortdurend op je af. Door “normaal gevoelige mensen” word je niet snel begrepen. Je bent “zwaar op de hand”, je moet je niet “alles zo vreselijk aantrekken”, je maakt van een mug een olifant, je bent een tobber, snel aangebrand, of je begrijpt het verschil niet tussen pesten en een gewoon plagerijtje. Het is niet onwaarschijnlijk dat gevoelige kinderen eerder het slachtoffer worden van pesterijen. Bij het gebruikelijke uitproberen reageren ze heftiger dan andere kinderen, zodat de plagerij succes heeft en een reactie (vaak tranen) uitlokt.

Voor de normaalgevoelige omgeving is het vaak niet te begrijpen dat een kind zo extreem reageert en wordt het plagen (en als dat uit de hand loopt het pesten) vervolgens ook wel begrepen: dit kind reageert toch niet normaal? Het moet maar eens leren alles “van zijn rug af te laten glijden”, “zich er niets van aan te trekken” of “van zich af te bijten”.  Maar juist voor dit kind is dat teveel gevraagd. Zowel zijn of haar gevoeligheid als de onmogelijkheid om de eigen persoonlijkheid te veranderen, worden zo miskend.

In de aanpak van pesten moet rekening gehouden worden met hooggevoeligheid. Voor sommige (veel!) kinderen is de omgeving te overweldigend en is het onmogelijk zo te reageren als andere kinderen. Juist deze kinderen voelen wel aan dat zij anders zijn dan de meeste kinderen. In een veilige omgeving mogen ze zijn wie ze zijn en worden ook hun krachten en kwaliteiten benoemd èn gewaardeerd. Voor zowel het gevoelige kind als voor de omgeving is het goed om te weten dat sommigen nu eenmaal gevoeliger zijn dan anderen, dat er rekening mee kan en moet gehouden worden en dat deze kinderen voor de groep heel belangrijke kwaliteiten hebben.

(Dit blogbericht verscheen oorspronkelijk in september 2011 en werd daar sindsdien door 900 mensen gelezen). Uiteraard komt het onderwerp terug in mijn boek Alles over Pesten)